BEENKUNDIGE TAFEL E N. 61
γ. Vóór dezelve eene grootere infnijding, waardoor de deie- en zaad -vaten gaan;
J. Vóór dezelve een schuinfe doorn, die het heup- been van het fchaambeen affcheidt:
Geheel naar vooren de fchaambeensverecni- ging (fymphyfis pubis), daar de fchaambeenderen famenkomen, en aan derzelver voorfte en boven- fte gedeelte, eenige verhevenheden, waaraan zig spieren inplanten:
c. Een onderfte, die aan de fchaambeensvereeniging begint, en eindigt aan de buitigheid van het zitbeen:
d. Een achterfte, die aan de bultigheid van 't zitbeen begint, en aan de vereeniging van het heupbeen met het heiligbeen eindigt; men vindt er aan
α. Eene infnijding, onmiddelijk onder de bultig- heid, waardoor de inwendige ftopfpier (obturator internus) gaat:
β. Achter dezelve een knobbel, die doorn van het zitbeen (fpina ifchii) geheten wordt, waaraan zig de zit en ftuit-becnsband (ligamentum ifchio coccygeum) vasthecht:
γ. Tusichen deezen doorn en den bovenrand eene groote infnijding, zitbeens infnijding (incifura ifchiatica) geheten, door welke de zitbeens - ze- nuw (nervus ifchiaticus) loopt.
De bovenkant wordt alleenlijk van 't heupbeen gemaakt:
De onderkant gedeeltelijk van 't fchaambeen, gedeeltelijk van 't zitbeen:
De voorfte kant, van 't heupbeen en van 't fchaambeen, en
De achterkant, van 't zitbeen en heupbeen.
7. Twee oppervlakten; naamlijk,
a. Eene buitenfte oppervlakte, die van vooren bolver- heven en van achteren uitgehoold is, waaraan men vindt:
α. Aan 't achterfte gedeelte, eene eenigzins uitge- hoolde vlakte, welke uitwendige heupbeenshol- ligheid heet; waartegen de bilfpieren liggen:
β. Aan 't middenfte gedeelte, een uitpuilenden rand der heupkom, die van vooren eene infnijding hecft, waardoor vaten en banden in de heupkom gaan:
γ. Onder de rand der heupkom, aan de zitbeensbul- tigheid, eene infnijding, waardoor de uitwendige topfpier gaat: