64 BEENKUNDIGE TAFELEN
19de TAFEL.
VAN DE RIBBEN EN HET PORST BEEN.
I
Aan de ribben (cofta) neemt men waar
1. De plaatfing, zijnde zij dwars en in de fchüinte ge- plaatst, beginnende aan de rugge wervelen, ter zijden eenen boog uitmaakende, van vooren rechter wordende, en voor 't grootste gedeelte met het borstbeen ver- knocht.
2. De gedaante, die gekromd is, en ten naaften bij eeneri halven boog uitmaakt; doch zoo dat de beide uitein den niet in eene rechte lijn ftaan.
3. De zelfstandigheid, die achterwaards beenig, inwendig fponsachtig, uitwendig met beenplaaten overtrokken, doch naar vooren kraakbeenig is.
4. De verdeeling, in waare en onwaare, waar van
a.De zeven bovenfte ter wederzijde wááre (veræ) heeten, dewijl haar kraakbeen onmiddelijk met het borstbeen verknocht is, en zij gevolglijk nagenoeg halve boogen uitmaaken; waarbij aantemerken is,
α.Dat het beenige gedeelte der eerfte rib kort doch breed, maar dat der volgende zes fmaller is, en geduurig langer wordt.
β. Dat het kraakbeen van de eerfte wááre rib kort; hard en vast, maar dat der zes overige weeker en buigzaamer is, en geduuriglijk langer wordt:
b. De vijf onderfte ter wederzijde onwaare (puria) heeten, dewijl haar kraakbeen het borstbeen niet bereikt, en zij derhalven geen volkomen halven boog uitmaaken; hierbij is in acht te neemen:
α.Dat dezelve van de bovenfte tot aan de onderfte telkens korter worden:
β. Dat het kraakbeen van de eerfte onwaare niet het kraakbeen der laatfte wááre, het kraakbeen der tweede onwaare met dat der eerfte onwaare, en dat der derde met dat der tweede vereenigd is:
y. Dat de kraakbeenderen der twee laatfte onwaare ribben de kortften zijn, in eenen ftompen punt eindigen, vrij hangen, en aan geen kraakbeen gehecht zyn.
5. De