Naar inhoud springen

Pagina:Ordinaris Dingsdaeghse Courante 1650 no 043.djvu/1

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Ordinaris Dingſdaegſche Courante. No. 43, 1650.

Uyt Genua den 20 September, 1650.

VIf Galleyen en 2 Zee-roovers van Algiers omtrent Gaete verscheyde Passagiers genomen hebbend die naer Romen waren gaende, sijn van daer geseylt naer de Custe van Corse en Sardaigne, ’t gene desen Staet gedrongen heeft eenige Schepen, onse 2 Galeyen die tot Messina Zijde zijn ladende, te gemoet te senden. Men heeft eyndelijcken ’t Houwelijck al-hier geslooten, tusschen de Prince Doria ende de Dochter vande Heer Domenico Centurione, haer onthoudende tot Madril, zullende deselve ten Houwelijck hebben, een somme van 500 duysent Croonen, bestaende in Contante Penningen, Juweelen, Silver-werck, en andere goede Effecten.

Cromwels Antwoort, aen den Gouverneur van ’t Casteel van Edenburg, op de Presentatie aen de Predikanten aldaer gedaen, van den 19 September.

DIe Presentatie aen de Predikanten, die by u sijn gedaen, is uyt oprechtigheyt geschiet, denckende het met gelijcken ghemoet soude aenghenomen worden: maer ick moet u seggen: Dat indien hun Meesters dienst hun meeste beooginge ware, sulcken inbeeldinghe van lijden hun niet veroorsaeckt souden hebben, sulcken antwoort te gheven; ende veel min soude die Practyck ende handel van d’onse met de Dienaers Christi in Engelant, voor een bewijs verstrecken van personeele vervolginge. De Dienaers Christi ofte Predikanten in Engelant, hebben vryheyt het Euangelium te prediken, al hoewel niet te lasteren, ende onder het deck-mantel van’t Euangely de wereltlijcke macht te verheffen ofte te verkleynen, als ’t hun gelieft: Niemandt in Engeland oft Yrlandt isser gemolesteert gheweest wegens het prediken des Euangeliums, noch oock en is in Schotlant, sedert de comste van onse Armé, eenigh Predikant getravailjeert geweest: het spreken van waerheyt betaemt den Dienaren Christi wel: maer Predikers die een glorieuse Reformatie voorwenden ende tot een grond-legginge van dien, hun wereltlijcke macht aen nemen ende tot verkryginghe der selve een wereltse mixtute maken gelijck in dat Iongste verdrach met hun Coninck op hope door hem tot hun beooginge te sullen komen, die moeten weten, dat de beloofde Sion, daer soo nae verlanght wordt, met sulcken ongetemperden Kalck niet opgebouwt wil werden. Ende wat aengaet d’ ongerechtige Invasie, daer sy van seggen; de tijdt is geweest, datter een Schotse Armé in Engelandt quam, niet geroepen door d’opperste macht. Wy hebben in onse uytgegevene Schriften geleght, met wat herten ende op wat voet wy gekomen zijn; ende de Heere heeft ons verhoort, al hoewel ghy ons niet hooren wildet op soo een solenneel Appel ofte beroep, als oyt gheschiet mach sijn: Ende al hoewel sy hun schynen te troosten, met te wesen Soonen Iacobs van welcken God voor den tijdt sijn aenschijn verborgen heeft, lijcke wel en is ’t geen wonder, dat nadien Godt soo mercklijck sijn handt teghens een Familie verheven heeft, gelijck hy soo dickmaels tegens dese gedaen heeft, ende men het lijckewel niet sien en wil, dat hy dan van soodanigen sijn aengesicht verberght; hun te schande makende, soo daerom als oock om de haet dien sy sijn volck sijn toedragende, gelijck op desen dach is blijckende. Wanneer sy hun vertrouwen louterlijck op den sweert des Geests welck is het Woordt Gods sullen stellen: als welcke alleen krachtigh is tot nederwerpinge der sterckten ende aller overlegginge ende hoochte die haer verheffende is; ende alleen bequaem is, om de steenen tot den nieuwen Ierusalem te bereyden; als dan ende niet eer, ende door die middel ende geen ander sal Ierusalem (welckeis een roem der gantsche werelt) de Stadt des Heere, de Sion des Heyligen in Israël gebouwt werden, meer hebbe ick niet te seggen, als verblyve.

U ootmoedige Dienaer O Cromwel.

Uyt Bordeaux den 26 dito.

Van dage sijn wy alhier de Gedeputeerden van ’t Parlement, ende de andere Heeren van Bourg weder verwachtende, met de Vredens-Artijculen, die hier verlede vrydach op het Paleys en op het stadhuys aengenomen, geregistreert en geteyckent sijn geworden, vertrouwen sijn Maj. die nu mede geteykent sal hebben, waer naer sy hem noch dese weecke hier binnen sijn verwachtende, om den vryen handel alhier te doen verkondigen.

Een ander van den 29 dito.

Op huyden naer den middagh is de Vrede door de Gedeputeerde Heeren van ’t Parlement van Parijs volkomen geslooten. Tot dato heeft daer groot gheschil tusschen den Koninck en dit Parlement geweest, om te mogen weten wat voor eene Gouverneur alhier voortaen nu soude wesen, waer op sijn Majesteyt tot antwoort heeft gegeven, hy sulcx opgehouden was tot Bourgh ofte binnen Bordeaux te verklaren, maer sulcx by sigh wilden houden, tot dat hy weder tot Parijs zoude sijn gekomen, om als dan daer over hen te uyten. Dese sake dus verre te brengen heeft de Heeren Mediateuren de Gedetupteerden van ’t Parlement van Parijs uytermaten groote moeyten gekost, en veel malen over en weder doen reysen. Het voornaemste des verdraghs is, dat den Koninck die van dit Parlement en dese Stadt is vergevende, alle ’t gene teghens hem tot dato hebben ghedaen ghehadt door Wapenen als anders; insgelijcken oock aen den Hartogh van Bouillon, de Prince van Marillac en alle andere voor desen verklaert voor Rebelle, gevende aen hun alle plaetsen om naer desen haer te mogen onthouden in alle sekerheyt, namenlijcke aen de Princesse van Condé en haren Soon den Hartogh van Anguien de Stadt Nerac, den Hartog van Bouillon Turenne, werwaerts hem oock sijne Huys-vrouwe al toegesonden werden, en zoo voorts alle d’andere yeder hunne plaetsen. Dat het Gouvernement van Guienne den Hartogh van Espernon voor eeuwighlijcken sal afhenomen blijven, het welcke men wil sijn Majesteyt al gegeven heeft aen zijn eygen eenigsten Broeder, den Hartogh van Anjou, ende deselve tot sijn Luytenant gestelt heeft den Mareschal de Schombergh, niet tegenstaende die van hier gaerne gesien hadden sulcx ware ghegeven gheworden aen den Hartogh van Bouillon. De reste zijn secrete Artijculen, ende en werden niet geseydt, alsoo den Konink zo wel als wy tot den Vrede te sluyten hooglijcken gedronghen zijn gheweest, eyndelijcken sal dese Stadt ende ’t Landt voor hare schade by desen Oorlog geleden ghenieten de waerde van 500 duysent Kroonen.

Uyt Weenen den 30 dito.

Verleden Sondag is de Sevenberghsche, ende voor gisteren de Jonghst over-ghekomene Poolsche Gesanter met een aensienlijcke Suite, wederom nae huys verreyst: daer tegens is een Cheur- Vorstelijcke Palsische Ofghesanter alleene alhier aenghekomen. Ende dewijle den Currier dewelcke nae Turckyen is gesonden geweest, met de behoorlicke Keyserlijcke Majesteyts Tijtel wederom gekomen is: zoo wert den Turcschen Ambassadeur, dewelcke tot soo langhe sich tot Offen verhouden heeft, alhier verwacht. Daer tegens sal des Vry-Heer Smits af-reyse nae Constantinopel, eerst-daegs zijn voort-ganck nemen, gelijck dan deselve alrede met 150 persoonen, die hy met sigh neemt, ende seer kostelijck uyt-gestoffeert zijn, op Ebersdorp gepasseert is, by Keyserlijcke Majesteyt zijn af-scheyt te nemen.