Pagina:P. CROMBECQ. Vandenborne Lientje. Edegem 30 november 2006 v5.1.pdf/7

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


Volgens R. Van Uytven werd de nieuwe leer in Leuven bekend door immigranten uit de protestantse gebieden zoals Holland, Zeeland en Friesland en door de drukke handelsbetrekkingen met protestantse centra zoals Antwerpen. De Leuvense Universiteit was, als enige volwaardige hogeschool van de Nederlanden, een trekpleister voor buitenlandse studenten die niet zelden bij de Leuvense families introkken. Zo woonden er ook Friese studenten bij het echtpaar Vandenborne-Massys die het Lutherse gedachtegoed niet ongenegen waren. Van de 10 jaar oudere Catharina Massys werd gezegd dat zij een grote invloed had op haar man, ook op godsdienstig vlak. Haar werd verweten dat zij haar huishouden verwaarloosde en meer vertoefde bij vrienden-geloofsgenoten waar de leer van Luther werd besproken. Van haar was ook bekend dat zij op de markt van Leuven verboden prenten kocht met hervormingsgezinde opschriften, gedrukt door protestants gezinde drukkerijen. Jan ‘Beyaert’ Vandenborne gebruikte die prenten als model bij het snijden van beelden[1]. In 1537 stapte het gezin over tot het protestantisme[2] dat zij openlijk belijdden. De kinderen leerden lezen in de Zeven psalmen van Luther. Jan roofde in 1541 uit de Sint-Pieters- en de Sint-Jakobskerk, met instemming van nagenoeg de ganse hervormde kring, de schilderijen met een voorstelling der zielen die in het vagevuur om een rozenkransgebed voor hun verlossing smeken. In 1542 gebeurde het onvermijdelijke. Begin maart, na het sluiten van de stadspoorten, werden de hervormingsgezinden geheel onverwacht uit hun huizen geplukt en gearresteerd. Drieënveertig burgers van Leuven werden opgesloten in de stedelijke gevangenis en aangeklaagd voor ketterij in het voor Leuven grootste godsdienstproces van de eeuw. Jan ‘Beyaert’ Vandenborne en Catharina Massys waren bij de beschuldigden. Jan en Catharina werden door de rechters drie maal ondervraagd[3]. Jan op 23 maart 1542 en een jaar later op 2 april 1543. Hij legde niet de gewenste bekentenissen af waarop de rechters besloten tot een “scerper examinatie”, een ondervraging op de pijnbank. Op 28 mei 1543, na de noen, om 4 uur, werd Jan gemarteld. Hij werd verplicht voortdurend water in te zwelgen d’welck nyet boven zes oft acht paternosters en duerde (ongeveer 10 minuten) waarna hij begeerde vander banck gerelaxeert te wordden en tot bekentenissen overging. Jan bekende onder meer dat hij geloofde dat:

  • er geen vagevuur is en er dus maar twee wegen zijn voor een ziel nadat het gescheiden is van het lichaam, ofwel de hel, ofwel de hemel;
  • je niet, in tegenspraak met wat de kerk voorschrijft, hoeft te bidden voor een ziel maar dat die ziel aan het oordeel van God moet worden overgeleverd;
  • de paus maar een gewone man is en niet meer macht heeft dan een andere man;
  • gewijd water en aarde niets anders is dan gewoon water en aarde;
  • voor het vergeven van de zonden, biechten en het kopen van aflaten niet helpen en dat enkel God zonden kan vergeven;
  • men niet moet vasten en hij zich ook niet gehouden heeft aan het kerkelijk verbod dat stelt dat op vrijdag en zaterdag geen vlees mag gegeten worden: hy heeft twee werff op saterdaighen vleesch geten heeft, dat hem des donderdaeghe overgescoten was, om dat hem dochte dat egheen sonde en was;
  • bij het Heylich-Sacrament des autaers (de eucharistie) het lichaam en het bloed van Christus niet echt aanwezig is in het brood en de wijn maar slechts symbolisch; hij bekent hier ook dat hij heeft horen zeggen dat indien Onse-Heere waere inden sacramente dat die meluwen dat nyet eten en souden m.a.w. dat als het lichaam van Christus echt in het brood aanwezig zou zijn, de madewormen het niet zouden opeten uit respect. Verder bekende hij de diefstal uit de Sint-Pieters- en de Sint-Jakobskerk van schilderijen die het vagevuur voorstelden vuyle rabbauwerie datter hinck inde kercke of dienden om te
  • R. VAN UYTVEN, Protestanten te Leuven o.c, p. 15.
  • R. VAN UYTVEN, Protestanten te Leuven o.c, p. 31.
  • F. de ENZINAS, Mémoires de Enzinas, pp. 384-465.