Pagina:P. CROMBECQ. Vandenborne Lientje. Edegem 30 november 2006 v5.1.pdf/8

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


worden aanbeden sekere berdekens[1] ende figueren die aldair inde kercke honghen in memorie datmen voor die zielen soude bidden ende dyer gedincken.

Catharina werd een eerste maal ondervraagd op 22 maart 1542 en dan op 1 april 1543. Zij bekende evenmin. Op 1 juni 1543, na de marteling van haar man, werd zij eveneens onderworpen aan een scerper examinatie, die zij echter vreesde zy heeft gebeden datmen huere nyet pynen en woude, zy soude die waarheyt segghen sonder gepynt te zyn en zij bekende zonder te zijn gemarteld. Catharina bekende onder meer dat zij geloofde dat:

  • er geen vagevuur is;
  • de biecht aan een priester niet nodig is en dat het genoeg is om de zonden aan God op te biechten;
  • het niet nodig is om de door de kerk opgelegde Heilige Dagen te vieren;

Zij bekende ook verboden voedsel op verboden dagen te hebben gegeten: drye oft vier maelen vleesch gheten te hebbene t’swrydaeghs oft saterdaeghs, ende gebuerde t’selve s’morghens ten ontbyte, alst huere overschoten was,… , ende soude oick vleesch gheten hebben inde vastenen, hadde zyt gehadt, want zy vander opinien is geweest dat t’ghene inden mont gheet en besmet die ziele nyet, maer t’ghene dat uyter herten compt want zij was van mening dat het eten van voedsel de ziel niet kan besmetten. De ziel kan enkel besmet worden door hetgeen uit het hart komt.

Catharina bekende ook dat zij het berdeken vanden vegevier, d’welck hinck inde kercke, zy tot hueren huyse verbrant heeft, … , ende hadde hout gebreck toen zy t’ voirschreven berdeken verbrande m.a.w. de gestolen houten schilderingen thuis verbrand heeft wegens houtgebrek. Voorts bekend zij dat zij in het gezelschap van anderen: dicqvils heeft hooren segghen, nu vanden eenen ende nu vanden andere, dat t’vegevier innegestelt was om den priesteren t’ geldt inden buydel te jaeghen, ende daater maer twee weegen en waeren, te weetene den hemel ende de helle en het vagevuur dus alleen maar bestond om de zakken van de priesters te vullen. Vele afgestorvenen verbleven immers in het vagevuur en de nabestaanden konden door het kopen van aflaten bij de priesters er voor zorgen dat de afgestorvene vanuit het vagevuur alsnog naar de hemel zou gaan en niet naar de hel.

Jan ‘Beyaert’ Vandenborne en Catharina Massys kregen, samen met andere voortrekkers, de zwaarste straffen en werden op 9 juni 1543 ter dood veroordeeld. Hun huis en goederen werden verbeurd verklaard ten voordele van de staat[2]. Jan ‘Beyaert’ Vandenborne werd op 15 juni 1543 met het zwaard onthoofd op de grote markt van Leuven. Zijn echtgenote werd er op dezelfde dag en op dezelfde plaats levend bedolven onder de aarde en stikte. Andere kopstukken werden levend verbrand op de brandstapel of eveneens levend begraven. De overigen kregen hoge geldboetes en/of werden verplicht in het openbaar boete te doen door in hun ondergoed en met een waskaars in de hand, blootsvoets en met bloot hoofd de processie te volgen. Het aantal boetetochten en het gewicht van de kaars verschilden naargelang de ernst van het vergrijp. Sommigen mochten eeuwig of tijdelijk het hertogdom Brabant niet meer binnen, anderen mochten de stad niet meer buiten[3].

Op 15 juni 1543 werden Lientje Vandenborne en haar zes broers en zusters weeskinderen en werden ze op straat gezet. Nadien werd van hen niets meer vernomen.

  1. Schildering op een houten plankje.
  2. E. VAN EVEN, Les sculpteurs Beyaert, o.c, p. 193
  3. R. VAN UYTVEN, Protestanten te Leuven o.c, p. 38.