Pagina:Pallieter.pdf/110

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


stoopen. Er was daarbinnen een lachen en klappen als in een rumoerig kiekenkot, en de groote, roode handen grabbelden gulzig naar de dampende gele eierenwafelen, die met torens werden opgebracht. Zij veegden er suiker, siroop en boter op om al de zoetste smaken ineens te hebben. Het zweet plakte lijk perels op hun voorhoofd, en om zich te verkoelen dronken zij maar aanhoudend van het bruine troebele bier.

Elk deur- en venstergat was een helle schilderij. 't Waren bleeke wegen door 't koren en het groen, hier en daar een Netheglans, roode daken tusschen volle boomen, koeien in de weiden, witte kapellekens aan den weg, bosschen en rustende molens in de verten, en duiven in de lucht.

Er waren boeren bij die niet omzagen voor een dozijn wafelen, en altijd nog even appetijtelijk de smoorende keuken binnenzagen. Hun mond en handen plakten van vet en konfituren, en zij gaven zich den tijd niet om hun neus te snutten.

Lijk korenten die mee bij de zoete spijzen behoorden, zaten de vliegen over de tafel heen verspreid.

Bij Pallieter kon de wafelengoesting maar niet weggaan, en al etende zocht hij nu eens naar den kaneelsmaak, den eierensmaak en naar de boter; hij vulde zijn neus met hun lekkere geuren, en kraakte nu al zijn elfde wafel vaneen.

Al etende zag hij met blijde verwondering naar het bezonde, kalme veld, waarover een klein kloksken luidde, naar de roode, gulzige smoelen der boeren, en naar zijn allerzoetst Marieken. Hij neep onvoorziens in hare heupen, dat zij opsprong en gichelde,