Pagina:Pallieter.pdf/112

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


Ze stonden in hun zweet lijk in een kleed; hun hemd plakte tegen hun billen, hunne keel werd er schor van, en ze dronken den Fransche en den gepeperden genever lijk water.

‘Wie kent er e schoe vertelselke,’ riep een dikke meid, ‘iet veur mee te lache!’

‘Ik!’ riep een boer. Al de koppen staken bijeen en iedereen luisterde, met den glimlach al op den mond, terwijl zij hun borreltje vasthielden, en een vrouw namen in hunnen arm.

Het boerken vertelde een zeer fijn-dubbelzinnig verhaal van nen koster en de pastoor zijn meid. En wie van die daar zaten kende er niets in dien aard?... Als 't slot van 't vertelsel de handen naar den buik deed pakken van 't lachen, wilden er velen de eersten zijn om er ‘nog een beter’ te vertellen. Zoo ging het eene verhaal na het andere, in dubbelzinnigheid vermeerderend, zoodat men de kleine kinderen van den boer buiten deed gaan spelen. Het werd zoo hevig dat velen met hun vertelsels niet meer wachten konden, en men langs drie, vier zijden tegelijk begon.

Pallieter bleef niet ten achter, en Marieke zat, terwijl ze gebaarde niets te hooren, een Ste Anna's kat te streelen en stukskens peperkoek te geven.

Het gelach botste bij elk einde tegen de zoldering en, spijts het vermanend Godsoogkadertje: ‘hier vloeckt men niet,’ rolden smakelijke vloeken uit hun mond, uitingen van oprecht en vol plezier en geprikkeld genot.

Maar er kwam een gouden wind van over de velden de kamer verkoelen, en het machtig licht van