Pagina:Pallieter.pdf/113

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


het land verinnigde zich tot een kalmen koperen schijn, en de zon zonk rood lijk een vlam achter een verren wolkenberg. Door de deur kwamen de platte zonnestralen gevierkant, en een gedeelte van het boerenvolk werd er in de blauwe kamer rijkelijk mee beslagen. Toen begonnen de vlieren aan 't venster te rieken.

Pallieter ging eens naar achter en zag over het land en in de lucht, en hij zei binnensmonds:

‘Da weurdt nen aved van de duzend.’

De zon was al weg, en er waren geen schaduwen meer, maar vele breede witte stralen, lijk Mozeshorens, staken nog door de pluimwolken tot aan 't hoogste van den hemel, en het was alsof er achter de wereld een groote heilige stond.

Verblijd ging hij weer naar binnen en zei tot Marieke:

‘Kom, we gaan, want God ga klappe.’ Ze stonden op en wilden heengaan, maar het boerenvolk wilde er niet van weten en smeekte en praamde om nog een uurken te blijven.

‘We mutte gon vrije,’ zei Pallieter, ‘'k mut man best doen, want overmorge gaat ons Marieke nor huis.’

Dat verstonden ze, en iedereen wilde Marieken nog 'nen goeiendag zeggen en 'ne pol geven.

‘Ze komt vroem oem te trijwe!’ zei Pallieter, ‘en dan komde allemaal oep de fiest!’

Daarop begonnen ze allen gelijk te zingen:

‘Zonder ons Marieke kunne wij nie wezen,
‘Zonder ons Marieke kunne wij nie zijn!