Pagina:Pallieter.pdf/116

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


natten mond, de toeë oogen, dat zij er hals en lijf van rok. Zij was als weggesmolten in zijn hartstocht, en liet zich hangen zonder wil in zijn sterke armen. Door de takkengordijn stak de maan heur onvatbare klaarte, en lei bleeke strepen op heur lijf en aangezicht. Pallieter bezag haar zoo. -‘Nen droom!’ zei hij bewonderend binnensmonds, en zijn lippen gleden over heur haar en heur gelaat, en met onzeere tanden beet hij heur in den malschen hals en in de kaken; hij had haar kunnen breken... en gelijk deze blarenkoepel zijn holte van de wereld afsloot, en alleen belevendigd was met de ziel van den ouden boom, zoo was Pallieter nog maar enkel levend omdat hij daar op den grond stond, maar bleef toe voor al de herinneringen van vroeger en de gedachten van morgen en de andere dagen. Ze zeiden geen woord. En de natte kussen lispelden stil en lang onder den koepelvormigen boom. Zij opende ineens hare groote, schoone oogen, en zag hem lui en groot-gelukkig aan, ze bezag hem lang, en dan, zonder één woord gezegd te hebben, gingen heur oogen voldaan weer langzaam toe.

Die blik ontroerde Pallieter diep, zoodat hij 't water ervan in de oogen kreeg en een rillingsken over zijn lijf. En weer ging zijn mond op haar mond, heur hoofd op zijn schouder en heur armen rond zijn nek. Hij, tegen het bruggesken geleund, hief haar op van den grond, en droeg haar in zijn armen lijk een moeder heur kind. En daar buiten over de nevel-blauwe landen groeide de maannacht witter en ijler steeds, alsof