Pagina:Pallieter.pdf/120

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


zelend voort, alleen door den nacht. 't Was lijk een glimlach van den nacht geweest...

De verre nachtegaal zoog voort op zijn klanken, en nu en dan kwaakte in de beken een vorsch...

De nacht nam toe in klaarte; de smoor steeg dichter op uit de slooten, en dampte uit den grond.

De oneindige stilte suisde en 't was alsof men de manestralen schijnen hoorde. Het gers was wak en verroerde niet.

En onwillekeurig door de stilte en den adem van den nacht gesust, sloot Pallieter zijn oogen, zag nog door de toeë oogschelen de klaarte van de maan die vóór hem stond en hem rijkelijk overgoot, en viel dan in een diepen slaap...

De groote nacht werkte door, en vervulde stilaan zijnen tijd. Sterren bleven vallen, de andere schoven voort, en de maan verstraalde al heur kostelijk zilver, werd stilaan rood, en zakte in het westen terug naar beneen, met de oogen naar omlaag.

En zij sliepen den zwaren slaap der aarde. Ze waren met de aarde één herteklop, één asem, één stilte en één leven.

Zij sliepen hoofd tegen hoofd, in malkander verloren en opgenomen, om nat van den dauw, bibberend wakker te worden, als het eerste licht opstond en de smoor nog op het veld en in de hooioppers lag getresd.

't Was dag. De bloemen waren nog gesloten, maar hanen kraaiden, een hond baste, een koekoek riep van uit het bemiste bosch.

Marieke verschoot, en verblijdde zich seffens; zij