Pagina:Pallieter.pdf/123

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


veropgerolde mouwen van haar rood slaaplijf komen.

Ook had ze haar slaaplijf van boven drie knoopkens losgezet, en alzoo kwam bloot, onder den halsput, het witte vleeschkussen, waarover de vele vettige linten van hare schapulieren kruisten. Den handdoek, die gewoonlijk, onder het slaaplijf, haar borsten indrukte, had ze nu afgedaan, en geweldig als dondertorens hongen ze nu in hun volle malsche dikte naar voren op den grooten buik.

Ze zag rood lijk een oven en zweette lijk een spons.

En ze begosten te spreken over Marieke.

‘Mor woroem mut het herfst zijn as ge trijwt?’ vroeg ze.

‘Dan is het beddeke koel, en dan kruipe we dicht bijien.’

‘Och zwijgt,’ knorde Charlot, maar een weinig daarna weer zoet, heel met haar eigen ingenomen: ‘En ik die altij' doecht begijn te weurre, 'k ben al blij da'k het noet ni geweurre ben, want wa zou Marieken hier zijn, zonder mij?...’

‘Awel,’ baste Pallieter, ‘'k zal ze bij ij late slape!’

‘Da' wil'k ni zegge,’ zei Charlot, en hier richtte zij zich op. ‘Marieken is ma petekind, en zij zuut, der zal gin haarken aan miskome!’

‘Och,’ zei Pallieter, halfzingend en tergend. ‘Als 'k getrijwt ben, hem'k gin meid nimier noedeg.’

En toen schoot Charlot uit: ‘Oei, oei, oei, 'k moet hier buite! 'k weur hier

weggejaagd, ikke een wies, 'k had het gedoecht! da's veur al mijn goedheid, da's den dank, en da' deur degene, die 'k als kind nog hem gedrage. God, lieven Heer sto mij bij!’