Pagina:Pallieter.pdf/130

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


gekleed lijf tegen het zijn, zoodat hij goed al hare vormen waarnam, en zijne handen betastten gulzig hare waggelende heupen, dat zij het uitkreet van de pret.

De dans was uit, en zij zetten zich nevenseen in 't gers, bij de anderen rond het vat. Allen hijgden, en hun boezems gingen op en neer.

Als zij weer eens goed van 't lekkere bier genoten hadden, riep Pallieter: ‘Allé gauwkes nog nen dans!’

't Was nu nen polka. Weer nam hij hetzelfde meiske, en zij dansten dol en wild. Hij drukte haar dichter tegen zich aan, danste uit den danserskring, en dan ineens zette hij haar een beentje, en beiden vielen op den grond; en hij viel op haar lijf als op een kussen, en voelde al de weelde van haar mollig lijf dat schokte van het lachen, en gulzig plukte hij wel honderd kussen uit haar witten hals en van hare dikke kaken. Zij stonden moeilijk op, aan haar uitbundig lachen scheen geen einde te komen en iedereen moest meelachen dat zij niet drinken kosten.

Maar van uit de verte klonk het verschietend toeten op een blikken horen. Dat was het teeken dat het rusten was gedaan en met spijt grepen ze hun alaam en pikke en gingen moeilijk aan het werk.

Ze riepen nog eenige zotte slagen naar Pallieter en Fransoo, die er opgeruimd van door gingen, het tonneken achterlatend.

De twee vrienden gingen pratend verder. Maar het klooster was nog wijd, en Fransoo zei van wat te rusten, want hij was open en hij zweette lijk een gieter.