Pagina:Pallieter.pdf/29

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


Toen is Pallieter in het porcelijnen-lamplicht aan 't lezen gegaan in den ouden perkamenten boek:

‘Hoe men yut de differente planten ende bloemen ende alre kruydekens, salfkens ende pappekens ende olijen weet te maken voor 't genesen van allerhande brandende snijwonden ende kwetsuren ende alsook van al de inwendige als uytwendige ziekten van al de deelen des menscheliken lichaems’.

Zoo wist hij wat hij thans plukken en gereed maken kon om de boeren, de beggijntjes en de arme menschen en iedereen te kunnen genezen.

Van tijd tot tijd zag hij eens door het venster naar de maan.

Om half tien deed hij het venster toe, blies de lamp uit en ging naar boven om te slapen.

Charlot was op haar kamer nog half hardop gebeden aan 't zeggen.

Hij stond reeds in zijn hemd en gereed om in 't bed te trappen, maar hij ging nog eens door het venster zien naar buiten waar het vol nevel en maneschijn lag. De avond was kalm lijk fijn olie.

‘'t Is zonde nij te slape,’ zei Pallieter, en hij bleef met zijn ellebogen op den vensterrichel geleund in den nacht zitten zien. De meidoorn rook in den lichten nacht als een bedwelming.

Daar floot weer die jonge nachtegaal.

Pallieter beluisterde zijn gezang. Het waren eerst lange, stille trekken, zoo fijn als een naald; dan werden het klaardere, breede klanken met een diepe, volle waterslag erin, en ineens brak het klimmend gefluit in rollende broebelingskens uiteen. En de