Pagina:Pallieter.pdf/43

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


's Zaterdags voor de kermis.

DE zon werd grooter en vlamde den hemel in een rijkelijk blauw.

De weelderige boomen waren eens zoo groot geworden en de Nethedijken de helft verhoogd van het lisch, het riet, de smeerwortel en de witte kervels. Het gers der beemden kwam boven de knieën en de duizend vette kruiden wastten ondereen tusschen honderd verschillende bloemen. Zurkel, suikerij vergeet-mij-nietjes, peerdepoot, wilde klaverpluskes enz., eenen heelen boek.

En den eenen dag tegen den andere veranderden zij van uitzicht. Nu eens was geel de hoofdkleur, dan purper, dan roos en dan wêer groen, al naar gelang den groei der kruiden en der bloemen.

En dat was 'n blijdschap voor 't gezicht, en 'n wellust voor den neus.

De beken waren toe van 't groen, en het graan kwam boven de koppen der boeren.