Pagina:Pallieter.pdf/50

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


Kermismorgend.

DE morgenddamp hing nog in de lage struiken en op het water, als van overal de klokken begonnen te luiden.

Als Pallieter zag wat een heerlijk weer de dag ging brengen, gooide hij zijn klak in de lucht en liep met lachend gezicht naar den zolder, op het donkere beiaardkamerken. Hij wierp er een houten dakdeurken open en het witte licht kwam binnengespoten, en van de eerste verblinding bekomen zag hij daaronder het frissche morgendland in al zijn deinende wijdheid bloot liggen. Seffens begon hij op de houten krukken te kloppen en te slaan; de ijzerdraden rinkelden, het hout piepte en kraakte, maar bovenuit klonken de heldere klokkenklanken, als tegeneenrinkelende kristallen bekers in de perelklare lucht. Door zijn hart gonsde de klokkenjubeling, en hij zong mee zoo hard hij kon.

Daarna stak hij door het dakvenster een nieuwe