Pagina:Pallieter.pdf/57

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


antwoordde ring aaneen op de ijzerscherpe litaniestem van een struische beggijn. Ieder had zijn paternoster in de hand en het blauw lint met zilveren medalieken aan den hals.

Charlot was daartusschen, ze had wel plaats noodig voor drie, en ze zag nog niet eens op naar Pallieter, Marieke en heure familie.

Kleine jongens, in roode pauzen en purpele bisschoppen gekleed, volgden met staf en lanteren.

Twaalf begijnen in witte lakens, droegen met veel moeite de zware zilveren relikwiekas van Sinte Begga. Zij blonk gelijk de zon en schoot stralen in de lucht.

En daarachter op vijf lange roten, allen met witte lakens die den grond raakten, over hun hoofd, volgden al de kinderen Begga's. Het waren lijk spoken, en zij zongen met schraal verhongerd stemmeken slepende kantieken in 't latijn.

Alsdan een ruischende koleurenwemeling van zijden en fluweelen vanen, zilveren en koperen geschitter en stralengespetter van hooggestoken brandende lantaarnen en torschers. Daaronder met verpluisden witten zijden hoogen hoed op, en schoone halsdoeken om, al de ouden peeën van 't begijnhof elk met een smokende flambauw van wel een arm dik. De drie blinde venten waren er ook bij.

En daarna in een zeeroogend geschitter van zonbeschenen goud, omgeven van gezang en belgerinkel en zoeten wierrooksmoor, kwam de Baas van hierboven de processie sluiten.