Pagina:Pallieter.pdf/64

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


wachten vóór 't vertrek. En nog kwam er maar gedurig áán versch eten.

Een jonge boer wierd ineens bleek, liep achter een boom, lijk een ezel balkend, braken, en kwam terug zeggende: ‘'t Is niks.’ Hij dronk zijn glas wijn leeg en ontstak een versche sigaar. Marieke gaf maar hielder stukken vleesch aan Loebas en meneer Pastoor zei: ‘Drinken is ook eten’. Deze voelde zich beschermd door zijne soetaan, en dronk maar den ouden zwarten wijn.

Charlot kon bijna niet meer. ‘Ik hem nog kans mè het staaltje te trekken!’ zei ze. Dan wierd er eerst fijn gelachen, en men zong al van: ‘Charlot is van de brug het water in gevalle!’

Er kwamen nog looze vinken met bloemkool, enz. enz. Er was een aangename angst, en honderd zottigheden werden er verteld. Men dronk maar, en de wijn sloeg naar het hoofd. Maar toen kwam de voorlaatste schotel; jonge duiven met kriekenspijs. Stans gaf haar kind van de spijs met haren vinger, dat hij seffens zoo rood werd als een indiaantje. Een boerenknecht bracht een tweede schotel, maar de kleine van Stans sloeg er zijn pollekens in, en de telloor viel met de duifkens in stukken op den grond; tot veler verheuging, want ze waren raar die nog apetijtelijk aten.

Stans gaf daarop heur kind een schudding en de kleine begon brand en moord te schreeuwen. Stans opende haar jak, wrong er een dikke witte borst uit, en stak ze in 't roodbekriekt gezicht van 't schreeuwend jong. De kleine sloeg er zijn vettige