Pagina:Pallieter.pdf/67

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


En ze vertrokken, verhit en luidruchtig, in hun schoon kostuum naar hun ver dorp, om morgen bij zonsopkomst alweer met slechte kleeren in het mest en het groeiende veld te staan labeuren...

En Pallieter voelde dat er iets van hem meeging naar ginder. Als hij thuiskwam lag Charlot in de keuken met ovenrood hoofd op de tafel te slapen, met nevens haar den paternoster en getijdenboek.

In den hof rook het naar verbrand papier van 't afgestoken vuurwerk. De maan scheen en lichtte op stukken flesschen en tellooren, in het gers, door het spuitende fonteintje, en op de ordelooze glazen, eetgerief en vruchten op de tafel.

Pallieter vond het schoon. Hij zette zich op eene bank en zat het stil te bezien.

Heel ver in de stad was er nog kermismuziek, en een nachtegaal floot dicht bij hem. Hij zag hem zitten met den staart scherp profileerend op den zilveren manebol.

Hij floot kort, beluisterde lang zijn eigen, maar elke klank was goud waard. Zoo zat Pallieter daar lang met den schijn der maan op zijn handen, en de nacht sprak tot zijn hart.

Hij ging wandelen.

De Nethe was stil, en slechts nu en dan lekte de maan een guldene plooi in het donkere water.

De beemden lagen vol doom en het gers was nat van den dauw.

De stilte was heilig.

Pallieter wandelde langzaam voort, plukte een natte bloem, die hij tusschen de tanden wiegelen liet, en zijn schaduw wandelde met hem meê.