Pagina:Pallieter.pdf/72

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

69

De zon was zoo hevig, dat ze door de dichtste boomen heelder bundels pijlen schoot en de bladeren bijna doorzichtbaar maakte.

Maar daar kwam, van tusschen zilveren olmenstruiken, iets roods, bloedroods in Pallieters oogen pikken.

Hij sprong over het grachtje, kroop door het gewas, en daar stond hij voor een overgrooten bunder papavers. De klaprozenplek trok over heure wijdheid al het zonlicht naar haar koleuren, en 't was lijk een groote vijver bloed.

Het water liep zoo maar uit Pallieter zijn oogen, en hij zei, met een zucht van bewondering:

'Och, Sint-Jan, worroem staat da' ni in oewen apokalips?' Hij werd er naartoe getrokken lijk naar een groot geluk, en ineens liep hij erin en verdween tot aan zijn borst in het machtige rood.

De zon vlamde en beet door de groote bloemen, lijk door rood glas, en poeierde van vinnigheid een rooden gloed de lucht in, zoodat Pallieters gezicht ermee omwonden was, en zijn handen en zijn haar.

Hij moest die geweldige klanken rood betasten en bestreelen, en hij sloeg zijn handen in de bloemen, rukte een tuil uit, dien hij in de lucht zwierde al roepend:

'Koleuren, koleuren is alles in alles!'

Hij ging voort, en wilde de beggijnenbosschen in, de eeuwige beggijnenbosschen, die zijn als een zee, met ook hun eeuwig lied van vogelen of van