Pagina:Pallieter.pdf/82

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

79

scheefgebogen door 't botermelkgewicht ging ze de kronkelende wegelkens in....

De aarde draaide vóór de zon, en als er in het Westen nog wat vlammen hadden geflakkerd, hing het Oosten al vol blauwe duisternissen met één witte ster.

Toen ging Pallieter voort.

De avond vulde de lucht. De boomen stonden zwart en stil, en de eene ster na de andere sprong te voorschijn in het blauw. Pallieter zijn hart ging ópen voor den vrede van het land. En zoo stil lijk het was rond hem, was het in zijn hart.

Twee boeren, elk met een hooge zeis op hun schouder, kwamen met doorzakkende knieën over den weg - zij zwegen en rookten, en wat kwijnend licht glom aan het punt van het staal.

In gindsche stilte naderde traag en dof kargedokker.

Daar erkende Pallieter het wijf van Peterus, den ooievaar, die roerloos en aschgrijs in den avond, met zijn steltenpooten in het water van een beeksken, nog te loeren stond naar visch.

De geur der toeë bloemen dreef zachtekens over het gebogen gers. Het kargedokker was nu dichterbij gekomen, en Pallieter zag tegen het vale licht van den grond de gaande pooten van het paard en het onregelmatig scheefschokken der hooge wielen.

En boven op het opgeladen gers herkende hij de meid van een boer uit de geburen.

'Eh!' riep Pallieter, bij een plots gedacht, 'mag ik oep oe kar kome?'