Pagina:Pallieter.pdf/83

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

80

'Ja, kom mor!' riep ze verblijd.

En met twee passen naar omhoog zat hij nevens haar op het doorzakkende gers.

Hij lei aanstonds zijn arm om haar dikke heupen, en het geschok der kar stootte zijn lichaam tegen het hare; hij omprangde haar vaster, en gaf haar een kus op de bollige, vaste kaken. En nu begon hij haar van alles te vertellen dat zij met gedempte gicheltjes beantwoordde.

Het paard ging met eendere, luie passen voort, en de kar schokte luider in den opgeklommen avond.

Stilte omringde de wereld en de sterren stonden groot en talloos in de schalieblauwe hemelrondte.

Een uil vloog met slappen vleugel laag over de kar.... Ze lagen zwijgend naast elkaar, en zagen niets dan de groote lucht, en al de sterren gingen meê met hen. Zoo dokkerden ze voort tot ineens het paard hinnikte.

Zij sprong op en zei haastig:

'Allez toe, eraf! We zijn er, spoed oe!'

'Nog, iest e kuske! Toet te neuste kier!' En hij sprong van boven van de kar.

Zij antwoordde niets, riep 'Dju!' tot het paard, en trok feller aan den toom.

Pallieter zag de snellergaande kar in den donkere verloren gaan, en hij zei tot zijn eigen:

'Onvoorziene liefde smokt het best.'

En fluitend ging hij over de vruchtbare, slapende velden naar huis.