Pagina:Pallieter.pdf/85

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

82

En Pallieter deed het. Och, hij was toch zoo blij dat ze daar was; hij had haar kunnen kraken en opeten en pijn doen, uit hij wist niet welk gevoel.

Hij zei: 'Als d'aarde oet ne mensch zij make, zij z'r iene make lak Marieke.'


Terwijl zij in den Reinaert woonde, vierde de wereld het feest van den langen zomer.

De heette stond op de wereld geduwd, en 't sap kookte in de boomen.

Maar op tijd kwamen zoete, malsche regens de aarde vettig houden, en de lucht bleef frisch en puur.

Dat was voor het innerlijk leven der aarde een overgroot geluk; want nu kon zij alles geven waar haar hart van oppropte, en lijk een oploop van de zee welden al heure goedheden naar omhoog.

De hoven zagen rood van de kersen en de velden geel van 't graan!

Het gers stond dik lijk moorkenshaar, en de vlinders, die wandelende bloemen van de lucht, wemelden lijk blaren in den herfst over de dichtbebloemde wegen.

Was er ooit zooveel snoek in de Nethe en paling in de grachten?

Er ontbrak nog melk en honing in de beken.

Maar voor Pallieter was het zoo ook goed. Want is elke streek der aarde geen beloofde land als er de beloofde man maar is? Zet er een duitenkliever of een handelaar, en 't melk wordt dun en blauw, en de honing vol patattebloem.... Maar 't was een dubbele zomer, een van de duizend!....