Pagina:Pallieter.pdf/86

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

83

En op een dier morgenden, als de dag paskes in de lucht aan 't klauteren was, werd Pallieter al zingende wakker. Doch ineens zweeg hij, want hij zag van uit zijn bed de eerste maaiers in de beemden staan.

Er ging een klop in zijn hert, en in zijn hemd liep hij naar de kamer van Marieke, en riep door 't sleutelgat: 'De maaiers staan in 't gers! Kom zien, kom rap!'

Daarmee liep hij terug naar zijn kamer, schoot zijn broek aan, en begost weder aan Mariekes deur te roepen en te kloppen.

Na veel lawijd ging de deur open, en daar stond Marieke op heur bloote voeten, in een rood katonnetten kleedje en een witte zakneusdoek om den hals.

'Och hoe schoen!' ontviel het van zijn lippen, en het was alsof er aan elken vinger een draad was, die hem naar Marieke trok. 'Kom,' riep hij, 'of ik val!' en hij greep haar hand, en zij ritsten van den trap, staken hunne voeten in gerookte kloonen, en liepen in den hof. Maar daarbinnen in den stal, stampte de merrie, en Pallieter kreeg ineens het goed gedacht te paard te rijden.

Zij draaiden de staldeur open, en haalden Beiaard, de witte merrie, buiten.

't Was een kolos van een paard, met aders op zijn lijf een manspink dik.

't Schudde zijn grooten kop, en de dik opeengepakte krullende manen, die langs weerskanten zijn breeden nek hingen, wapperden lijk een vlag.