Pagina:Pallieter.pdf/99

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


Er kwam ineens een geritsel door 't gers en in de schemering zag hij een tuil gele bloemen, en wit daarboven het hoofd van Marieke. Hij was blij, en zij kwam nader, zeggende vol bewondering: ‘het was of dat er ne reus on 't maaien was.’

‘Mak is rieke?’ zei Pallieter en hij duwde zijn gezicht in de malsche bloemen.

‘Ze zijn vor ij,’ juichte Marieke stil.

‘Ik riek er oe zieltjen in, och kom’ - en hij nam de bloemen in zijn arm en zag haar dankend aan. Hij voelde zich als een kind.

‘Kom,’ vezelde hij, ‘lot ons neerzetten, en vertelt is, wor ge die geploekken hed.’ Hij zette zich neer in 't afgemaaide gers en lei den ruiker open op zijn schoot. Zij zette zich nevens hem en vertelde traag, dat ze met Charlot naar het veldkapelleken van Sint Anneken was geweest om te bidden; onderwegen had zij bij een boer, die schoone bloemen gevraagd, omdat hij, Pallieter, zoo dikwijls naar hun honingreuk verlangde.

Zij zwegen. De boomen stonden stil en, van uit de donkere keuken, kwam luid rozekransgeprevel van Charlot.

Ineens zei Marieke verschietend: ‘Een lek, het regent!’

Pallieter hield zijn hand open, en, na wat wachten, kletste er een groote koele druppel op. ‘'t Is goed gelak gesmolte boter,’ zei hij.

En uit de onzichtbare lucht, viel er langzaam, nu en dan, een groote regenlek. Dan hier en dan ginder. Zij hoorden ze op de boomen openkloppen, voelden