Pagina:Print Pieter Breughel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken.pdf/110

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


een ander kleedje aangedaan, Pieter deed zijn schort af, en samen gingen ze. Toen z' aan het Steen kwamen, wierden de gevangenen achter hun traliën door liefdadige vrouwen brood gegeven. „Er niet naar zien, lieveke, niet naar zoo'n onmenschelijke dingen zien. Zie eens naar de schippekes!" Daar lagen en vaarden de galjoenen, galjoten en koopvaardijschepen met hun vlaggen; het water danste er tusschen en naar Austruweel op zaten ze, tegeneen, opgepropt to wachten. Daar was het een bosch van bevlagde masten, een stad die zoetekes kwam aangedreven. En die ondergaande Septemberzon met alle fruitkoleuren daarover! 't Rook naar pek, kaneel, vellen, peper, kruidnoot, fruit. Heel de pas ontdekte werelden schudden hier hun schatten uit! Een tooverkracht, een heimwee naar 't ongekende trok de menschen van de stad altijd naar het water: daar rolden hun droomen open, en 't krioelde er van kooplieden, burgers, werkers, . wagens, luieriken, verkoopers, matrozen, kinderen en pinkende meiskes. „Hier is te teekenen! Hier is te teekenen! Die menschen en die schepen!" prevelde Pieter. Maar hij moest voort. „Kom, naar Jan Nagel; naar zijn uitgevallen oog zien, dat hij wel in een schoteltje zal hebben liggen." Hij ging langs de vischmarkt. 't Was Donderdag. De versche visch voor morgen was aangekomen en lag daar overvloedig, versch neergepletst op de kramen. O! Schoon: die grijs-witte kabeljauwen, als october-wolken, nevens die blauw-gestreepte makreelen, ridders in Japansche harnassen; en die knorhanen, door de roode ziel van den koraalplant doorsopt; en die pladijzen, als batikwerk uit het Oosten; en die haringen hunnen rug als de inkijk in een donker water en hunnen buik van mystiek gekraakt bladgoud; en al die visschen van alle tonen en tinten! „Klotten zonnenondergang," zei Pieter. „Zie eens, hoe schoon, Marieke, die visselkes! Om in to duikelen!" Maar daar zag hij een jonge blozende meid in de visch staan plonzen en plassen, met opgestroopte mouwen, de malsche, rote armen bloot, de roode handen vochtig van in de visch te wroeten, flink op haar beenen, de welving van de borst blank lijk bagel. Al de perelmoeren had zij in heur vleesch. En die vinnige oogen en die kloeke lach! „Wat een poezelige brok van duizend weken, de ziel van de zee!" bewonderde Pieter. Ze trok nu 'nen ruigen rog zijn slijkkleurig