Pagina:Print Pieter Breughel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken.pdf/12

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


ijskegels aan de daken, de bierkalanten, en zelfs ook wat ze vertelden van de steden, de verre landen, van oorlogen en ziekten, van ketters en protestanten, van Keizer Karel, Luther en van den Paus van Rome . Hij teekende alles: het kasteel van den baron, de familie van den baron met hun dun hazenwindhondje, de zaaiers, de ploegers, de hutten, de wijzen, de vertellingen. Heel het dorp vloeide uit zijn vingeren. 't Was onbeholpen nog, maar toch nooit slordig; alles goed duidelijk van vorm en strak van lijn; vlug gedaan; maar nooit teekende hij een lijntje zonder zijn asem van inspanning in to houden. 't Teekenen was lets van zijn natuur als asemen en Zweeten. Daar was voor hem een stralend heiligdom in het dorp, waarvoor hij in wierook had willen veranderen van vereering: dat was het misboek, waarvan elke bladzijde door 'nen monnik, honderd jaar geleden, ombloemd, omduiveld en omheiligd was met goud en de bedwelmendste, frischste kleuren. Als hij er van den parochiepater eens mocht in bladeren, dan had hij huiveringen van geluk. „Met zulke bladzij den is de Hemel geplaveid," zei Pater Jerom. „Dan zal ik in den Hemel meer naar den grond dan naar O.L.Heer zien," zuchtte Pieter. De tijd kwam, dat hij liever met de meiskes speelde dan met de jongens. Thuis teekende hij ze uit, duidelijk van kleeren en lichaamseigenaardigheid; maar aan hun gezichtjes was hij zoo voorzichtig, dat hij zweette van voorzichtigheid. En zoo groeide hij op met zijnen neus altijd snuffend naar versche dingen, zijn groote bruine oogen ver en zoekend open in zijn rood gezicht. Weldra begon hij zoo goed to teekenen, dat elkendeen de anderen en zichzelf er in herkende. Toen zei de parochiepastoor, die nooit de minste belangstelling in dat teekenen had gesteld - 't was in de sacristij - : ,G' hebt Smalle Lowie zoo goed uitgeteekend, teeken mij ook eens uit." En de, groote man met zijn roos gezicht en grijswordende tonsuur breed en geweldig in de kaneelbruine franciscanerpij, ging in postuur staan. ,Stijver houden," zei Pieter . De Pater kropte zijn dubbele kin stijf als palmhout. Pieter teekende. En toen hij de teekening liet zien, stond er Pater Jerom op met schele oogen, hondenneus en een kin lijk 'nen kikvorschenbuit . De Pater ontplofte van woede . Hij meende Pieter een vetting to geven, maar deze ritste in zijn rood mis-