Pagina:Print Pieter Breughel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken.pdf/16

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


Dat kunt ge met een vergrootglas bezien. Ge riekt de bloemen!" Pieter bezag hem met groote oogen. „Ja," riep de pater, „ge moet maar eens naar Antwerpen komen, waar de groote schilders wonen. Daar kunt ge hun werk in de kerken en de godshuizen zien, 0, manneke, zoodanig veel en zoodanig schoon! Heel de wereld komt er naar zien, tot uit Italie toe. Keizer Karel doet niets dan koopen. En ge moet De Graflegging van Quinten Metsijs eens zien! Een huis groot! en zoo fijn geschilderd, dat ge de haren van de heiligen op hun hoofd kunt tellen. Daar zijn de bewonderaars niet van weg to slagen! En als ge zoo voort gaat, kunt gij er ook zoo eene worden, maar dan niet met sneeuw to schilderen!" „Ja, Pater Cornelis?" vroeg Pieter zoo gelukkig, dat hij er begon van to rillen lijk een riet. En daarop schoot de moeder buiten, en De Tomatpad kwam in het deurgat staan. Z' hadden beiden van achter de ruiten alles afgehoord. „Gij wordt niets dan matroos," riep ze naar omhoog. „Seffens valt ge u nog een maiheur met zoo door "t venster to hangen; ga binnen!" En dan zei ze tot Pater Cornelis „Ja, Menheer de Pater, toen mijnen eerste man stierf, zei hij, dat ons kind moest matroos worden, en..." „De mensch wikt, maar God beschikt," vermaande de pater „en als die nu liever heeft, dat uw zoon schilder wordt, dan mogen al de matrozen op hunnen kop gaan staan, dan wordt hij het toch!" „Pater," zei nu de zeeverstem van De Tomatpad, „'k word binnen kort zijn vader, en dan is 't met al dit ventjesteekenen uit: dan gaat hij op stiel, matroos of pottenbakke ; dan ben ik daar baas over, dan beschik ik." „Wordt dit uwe nieuwe man?" vroeg de pater. „Ja? Ah, vrouwke," lachte hij, waarlijk, ik dacht eerst, dat dit uwen oudste zoon was. Proficiat! Maar ik hoop voor u, dat het niet waar is, dat jonge venten met oude wijven trouwen om de centen. Goeien morgen!" En de pater draaide weg, lijk een klok die drijft . Ruw werd de deur toegeslagen en Pieter hoorde door de planken het gevloek van den aanstaanden stiefvader. Maar Pieter kletste op zijn billen van plezier om de harde eieren die de pater in hun maag had gestopt. Toen verviel hij als in een groote heiligheid. Hij zat naar de sneeuwverten to zien, en fluisterde aanhoudend de