Pagina:Print Pieter Breughel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken.pdf/34

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


krijgen, en lieten hun dan wat etensoverschot dragen, zoodat de dikken om hun mildheid en hun goed hart nog wierden vereerd en geprezen. Zoo heerschten ze en trouwden en kweekten onder elkaar: De Dikken bij de Dikken. En hem, dien anders deed, knuppelden ze dood, of ze gaven hem zoolang azijn, tot er nog maar een graat van overbleef. Dikken langs alle kanten, als forten en broeltorens, die de streek kwaad beheerschten. Maar boven allen stak Kwabberbil als 'ne rommelenden dondertoren uit . „Van de Dikken verlos ons, Heer," bad Pieter 's morgens en 's avonds.

3

Na twee maanden zag hij nog altijd naar de verkens, woonde in 't verkenskot en kreeg de drie dukaten, waarmee hij verf hoopte to koopen, noch to hooren, noch to zien. Maar hij troostte zijnen honger, en 't ongeduld om hier weg to zijn, met de verkens naar de frissche Schelde to driven, de vele galjoenen te zien voorbij varen, en met te teekenen. Daar was geen tegenhouden aan. Weldra waren de papierrollekes vol en begon hij langs den achterkant klein, opdat er veel zou op kunnen. De kleuren vulde hij met het sap van versche bloemen aan. Eens had hij in zijnen vinger gesneden door uit wat hout den kop van Pater Jerom to snijden. Toen hij "t bloed zag, riep Pieter: „Daarvan geprofiteerd! "En gauw den koster geteekend die een viag droeg in de processie! en met het bloed de vlag en de soutane rood gekleurd! „God, geef mijn bloed alle koleuren, dan snijd ik mijn lijf vol slippekes!" Ook na het eten, aan de knechtentafel, als de vijftien knechten en meiden nog een kwartierke zaten na te klappen, tot Kwabberbil met het klokske luidde, teekende hij hun door work en armoe vergronde snuiten af, soms scheef en scheel. Maar ze bleven er op gelijken. Ze snapten er genoegen in. Daar waren er al wel ens kwaad om, doch dat koelde zonder blazen. Maar één bleef er kwaad: de vischkopachtige herder, 'ne kleine man met lange armen. En nu, op 'nen Zondag, na de grachtsoep, toen de meid juist spek bracht kwam kwabberi1 met 'nen dorschvlegel naar binnen gedraaid, en vloekte en tierde, omdat er weer een konijn weg was. „Dat is weer gestolen door iemand van u!"' piepte hij . „“Wie heeft dat gedaan ? Dat hij spreke! Ik sla hem dood en een oog uit.