Pagina:Print Pieter Breughel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken.pdf/35

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


En omdat er niemand een oog kwijt wou zijn, deed hij de meid met het spek teruggaan. „Niemand bekent? Dan is dit geen spek voor uwen dievenbek!" Ze konden het met het soepeke stellen, en met gestompte wortelen zonder spek. Ze zwegen, bitter, deemoedig en bang. Maar toen hij met zijnen verachtelijken spotlach was weggegaan, begosten ze to vloeken en to knarsetanden. „Dat verzint hij enkel om ons geen spek to geven!" en 'r was „Verrek, val dood, smilt." En mee opgezweept in de algemeene woede, haalde Pieter een van zijn laatste papierkes uit zijnen zak, en teekende hij den baas af. Hij stond er nog eens zoo dik op als hij was, – en dat was moeilijk, – zijnen buik voortduwende op 'nen kruiwagen. Ah! daar hadden ze plezier in! Dat was een kloek stukske wraak! 'Nen trossel hatelijk-grijnzende koppen kwam over Pieters schouders het papier bewonderen. „Pas op voor den baas," waarschuwde angstig een mager koemeideke, dat veel van Pieter hield, zonder dat hij het wist. Pieter meende het papier kapot to scheuren toen de nijdige herder het onvoorziens afpakte en er juichend mee naar Kwabberbil liep, die in een ander kamer met zijn gezwollen gezin van hooge stukken vleesch, eiersausen en soep met verdiepingen zat to eten. Het werkvolk muisde er stijf en laf van onder en het koemeideke met heur konijnenoogen begon op voorhand al te weenen. Pieter kon zich van schrik niet meer verroeren. En daar was Kwabberbil, het deurgat vullend met zijn vleesch. Daar stond hij woedend en donker blakend van kokend vet. Log plofte hij op Pieter veer, en zonder een woord, zonder eenen vloek, maar daardoor zooveel to angstwekkender, stampte en sloeg hij Pieter of; en nadat hij hem voor drie kwart dood had laten liggen, gaf hij hem 'nen blokstamp, dat er van uit het mager lichaam 'ne piep en 'nee krak kwam. En dan eerst blaatten de woorden los, terwijl hij zijn koekvuisten knobbelde: „Ach, gij mij gedurig belachelijk maken met uw teekenen! Dat is nu gedaan ! Gij teekent nooit meer! Door den godspenning kan ik u tot Paschen houden. Maar ge zult er u niet van beloven! Aan deze tafel komt ge niet meer. En als ge durft gaan loopen, laat ik u voor ketterij in 't Steen van Antwerpen opsluiten, en u verbranden. Ik kan dat! Nu zal ik u eens laten voelen, wat het is, 'nen goeien mensch kwaad to maken."