Pagina:Print Pieter Breughel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken.pdf/36

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


4

Het eten was nu: oud brood zonder vet, afkrabsel van dit of van dat, en daarbij putrapen. 't Waren altijd rapen, gestoofde rapen, rauwe rapen, maar rapen en nog eens rapen, dat hij er langs boven en langs onder moest van gapen. 's Zondags kreeg hij er gelukkig toch nog een zwaaike seek bij; daar speelde hij 'nen halven dag school mee, lijk een kat met een muis. Hij dierf het niet opeten, want dan was 't weg. Het koemeideke met heur angstige konijnoogen bracht hem soms in geniep wat van heur eten, maar de anderen zouden zelfs hun telloor uitgewrongen hebben. „Morgen trek ik er uit." En telkens wist hij waar naar toe: naar Antwerpen, naar zijn dorp naar 't zuden, naar de bergen. Maar morgen kwam, en hij bleef, uit 'nen onberedeneerden schrik voor Kwabberb. En plots zag hij dan alles vol kwaad zitten: de parochie-paap zou hem terugsturen; in Antwerpen zou hij als better of boef aanzien worden; voor hij in Italie was, zou hij ievers van honger dood liggen of door roovers opgehangen zijn; en overal woonden Dikken, die hem zouden terugbrengen. Altijd een vrees voor Kwabberbil en maagpijn van den honger. O, nooit eens kunnen smakken van voldaanheid! Hij had nu spijt, dat hij bij zijn moeders dood toch niet naar die smulpartij was gegaan. Hij plukte korenaren af, en als hij 't gedaan kost krijgen, - want die maan met voeten zag alles, - ging hij onder den melkzak van een koe zitten en tapte aan heuren uier, dat de warme witte straal melk, loch, lijk een van de zeven deugden - in zijn keelgat spout. En dan die droomschrik voor Kwabberbil, die zijn hart omvuistte . Hij ontvluchtte hem, stak er zich voor weg, en draaide zijnen kop weg om die oogen, die lachende beestenoogen, die hem uitlepelden, niet to zien. Ach, altijd zoo machteloos in den ban van 'nen schrik te zitten: schrik voor de Tomatpad, voor het Vagevuur, en nu weer schrik voor Kwabberbil. Zich zoo eens niet vrij kunnen uitrekken van snikkende levensverheuging, dat de beenderen gonzen als snaren. Vreugde zat er in hem genoeg gereed, maar ze dierf niet uit hear schelp komen. Zijn dorp viel hem soms als een geurwolk op zijn hart; en hoe trachtte hij dan naar den molen van Smalle Lowie, naar den eikenreuk van de bosschen, naar al die menschen, naar het bier, den Dommel en het Misboek . Hij was eens van zin