Pagina:Print Pieter Breughel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken.pdf/44

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


bespotten. Hij komt nu weer eens spionneeren. Maar ik zal hem ook eens uitteekenen! Blijf staan! of 'k doen u vangen!.... Familie, g'hebt mij maar na to doen zie : zóó!" En Kwabberbil smijt een afgeknauwd been naar Pieter en 'nen regen van beenderen-knoken snort naar Pieter zijnen kop onder 't wild getier van de feesters. Oliepapper doet mee. Pieter weert of met zijnen arm voor 't hoofd; maar een hespenknook verdonkert de lucht. Knots! 'Ne sterrebots op zijn oog en met 'nen woesten kreet gilt hij weg onder 't luid gejuich van de eters. Beangst kruipt hij in 't verkenskot. De laatste vingerhoed levenswil kantelt om, en in zijn twee handen weent hij jammerend: „Och, moederke, kom mij nu halen, als 't u belieft, kom mij nu halen, "t kan nergens zoo donker zijn als hier.“

7


De zon viel achter d' aarde, toen Pieter beslist opstond. Hij zag door 't vensterke. De lucht jubelde citroengeel en de breede hoeve stond er blauw en donker tegen opgeblokt. 't Was een maag, die heel de streek en de menschen hun ziel opat. Daar binnen wierd nu nog gegeten en gedronken uit puur verwoestingsgenoegen. „'t Kan niet op en 't moet op." En ze wierpen met ortolanen naar elkanders snuit. Telloren braken kapot. Er waren er, die met den kop op tafel in slaap vielen. 'Nen bloemzak ging buiten neerliggen in de koelte van de open lucht, een braakte er door 't venster, en 'nen andere trok een zatte dienstmeid den donkeren boogaard in.

In 't dorp was 't nu een luid gegons van doedels en een getril van fluiten als van groote insecten. De kermisgeluiden bleven in de boomen hangen ; maar daarboven, in het pure hemelengoud, was het kristalstil met zwierende zwaluwen. Pieter speekte verachtelijk naar die wereid, naar de menschen die elkanders goedheid opaten en de graat van haat overlaten. Hij zag verlangend naar die reine lucht, waarachter God hem wachtte. En hij deed zijnen schapulier af en hing hem aan een nageltje, bond een vettige koord om den hals ; seffens dan op een vaatje staan, dat 'nen stamp geven en hij hing!.... „Hoor dat zat en zot gegichel daar binnen! De lafaards!.... Wacht, Kwabberbil moet bersten, stikken, als hij mij zoo ziet hangen, hij moet er van verkalken!." Hij teekende met houtskool op den planken wand : Baas Kwabberbil, draaiend een wijnpers,