Pagina:Print Pieter Breughel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken.pdf/48

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


kwam de ruwe, maar goudgoede parochiepaap van aan den Dommel boven water. „Kom mee en zie zelf!" riep Kwabberbil, ontzet en woedend om then durf, kraakte wat vloeken kapot, en plofte het mes in het tafelblad. „Kom mee !" en hij ging den Pater naar 't verkenskot vooraf en wees de teekening en wat er bij geschreven stond. De Pater deed zijn oogen toe. „Get manneke heeft zich gezelfmoord," zei hij, en bitter bezag hij Kwabberbil. „Gij hebt hem to hard behandeld, mijnheer!" Kwabberbil danste nu als op vuurklotten. „Wat?" vloekte hij. „Ziet ge! Dat is 't; nu heb ik het nog gedaan! Dat is juist zijn groote deugnieterij; en dat voor al mijn goedheid." Hij probeerde tranen to maken, - 't ging niet - draaide zich om en veegde met zijnen wijsvinger speeksel aan zijn oogen. „Vraag het aan de knechten! Vraag het aan Oliepapper. Ik verzorgde hem voorzichtig lijk een ei, omdat hij door u gezonden was. Maar hij heeft mij altijd getergd, gejudast. Hij teekende mij altijd bespottelijk uit. En nu lapt hij me dat nog! om mij op 't schavot to brengen!' Zijn kikvorschenoogen rolden bebloed in het wildrood gezicht. „Ge ziet, dat ik onschuldig ben!" brulde hij. „Ah! Ah! Ah!" Kwabberbil lachte als paardengehinnik. „Voor hij dood was kon hij niet schrijven, dat ik hem heb, vermits hij nog leefde; en na zijn dood kon hij hij het niet meer schrijven, vermits hij niet meer leefde! Ah Ah!" maar dan weer dreigend, de vuisten tegeneen pletsend: «Mij voor 'nen moordenaar laten dtorgaan! Ik sla hem dood! Hij moet in 't Steen! den brandstapel op, de ketter!" „En hebben ze overal gezocht ?" vroeg de Pater triestig, aan die woede geen aandacht gevend. „En ze zoeken nog," vloekte Kwabberbil, „en als ik hem vind..." „En hij had zoo 'ne groote kunstenaar kunnen worden!" kloeg de Paap. „En misschien zonder sacrament gestorven!" En ineens pakte hij den dreigenden Kwabberbil vast, schudde hem lijk klibber, hem in 't gezicht snau wend: „Zie, vent, ik zal opzoekingen laten doen! En ge moogt gij nog zoodik en zoo rijk zijn van hier tot aan de zon: als er wat kwaad met het manneke gebeurd is door uwe schuld, dan trek ik u uiteen, dat ge in twee lappen aan een koord to drogen hangt! Verstaan, mislukte zeehond?"