Pagina:Print Pieter Breughel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken.pdf/56

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


Nu was 't genoeg! Zie dat kind hem eens verzuchtend, hopend en geloovend bezien! Hij kon niet blijven voortliegen. Het was of hij iemand dood deed. Maar hoe kon hij dat zeggen, zonder heur verschen teer geluk in to stampen? Hij zweette van verlegenheid. „Nu moet ik liegen voor haar gezondheid," en lauw kwam het er uit: ja, ge zoudt er misschien wet kunnen genezen." „Maar ondertusschen?" vroeg ze zorgelijk en smeekend. „Ondertusschen? Ondertusschen ?.... Wel.... ik ga zoo maar eens rond, zoo wat naar overal.... Ik zal u al eens komen bezoeken.... en.... en." Het was alsof hij 'nen molensteen van zich moest afwentelen. En ineens lachte hij. „En als ik u nu eens zei, dat ik niet meer vertrek....". Zij bezag hem verbaasd, hij dierf hear niet bezien. ,No 'nen stoot," dacht hij, nog één! Engelbewaarder, trek het woord mee uit mijnen mond. „En als ik u nu eens zei, dat dat land niet bestaat, dat ik heb zitten liegen, dat..." „Dan zou ik u niet gelooven, dan zoudt ge dat maar zeggen om mij niet mee to moeten nemen!" De moeilijkheid was voorbij en hij bezag hear medelijdend. „Ewel, kind, 't bestaat niet, 't bestaat niet. 't Is niet waar wat ik u zei. 1k ben maar een manneken uit Breughel aan den Domme.... Ik dierf niet anden vertellen.... Ik wist niet, dat gij mij zoo diep zoudt geloofd hebben ; ik wist niet dat gij zoo ongelukkig waart; maar ik ben uit Breughel. Verleden Winter is mijn moeder gestorven en heel zijn vertelsel gutste uit zijn hart. Triestig om de ontgoocheling van het rappe geluk, dat hij in kruimels kapot wreef, en groeiend van medelijden en goedheid om zijn ellende en verlatenheid, bezag ze hem hoofdschuddend door heur loopende tranen hien, en toen hij eindigde met: „en toen ik u ginder zag aankomen, west ik niet, - waarom ik zoo stillekesaan gelukkig wierd," toen vlijde zij heur hoofd op zijnen schouder. „Hoe goed!" zuchtte hij. „Maar ge komt bij ons wonen!" zei ze ineens. „Als ge doedelzak speelt, zullen de Kraakbeens blij zijn... Als ze niet willen.... dan..." De rest zag hij in heur oogen. „ja, we zouden altijd bijeen moeten kunnen blijven," zuchtte hij. Ze streelde zijn handen, zijn gezicht, ze kroop dichter tegen hem aan. Van uit de verte herinnerde hij zich iets: dat hij Eens 'ne groote schilder ging worden. Maar dat meiske was te schoon, die liefde was te goed voor zijn schraal leven, om daaraan to weerstaan.