Pagina:Print Pieter Breughel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken.pdf/62

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


En dan hij aan 't vertellen, in 't begin wat verlegen, maar seffens midden er in, over het land waar de bonte kinkhorens menigvuldig op de kust liggen to zin gen als kristallen roemers, waar ge de geuren van de bloemen als kleurigen wierook ziet drijven; en waar hij haar in een gouden portaal zou zetten met bloemen, vruchten en tapijten aan heur voeten, of 's avonds zou laten drijven in gondels over waters, die als maneschijn waren zoo klaar van de lichtende goudvisschen en perelmoeren. Die droomen waren schooner en echter dan haar leven en zij luisterde religieus. „En als de Lente de sneeuw doet smelten, dan dan.... gaan we naar het warme eiland Sicilië, en zijn toch aan niets gebonden," zei Pieter triestig, overtuigd dat ze daarentegen dood zou zijn. „Ja, dat doen we, we kunnen overal wonen," zei ze, hem in de hand nijpend. Maar als hij dan weg was, zei ze tegen het nonneke: „Hij gelooft nog altijd, dat ik met de Lente nog zal leven, en ik zal Paschen niet meer zien."

2

Aan den kerkhofmuur kwamen de Kraakbeens weer bijeen: elk groepke koos zijn plaats, waar het rondgehaalde wierd afgegeven. Van 't eten wierd er gedeeld en seffens gegeten. Van 't geld deelde Kraakbeen niets en daar hij een valling had, zei hij, ging hij in „De Eeuwige Lamp" zijn longen, met brandew;ijn verwarmen. Toen dit gedaan was, trok hij met zijn huishouden achter den heuvel de velden in, om langs de hoeven to bedelen. Eenzaam en oneindig strekten de landen zich uit onder de dikke, bevrozen sneeuw. Men proefde de kou als metaal in den mond. De hoeven, de huizekens zaten, als okkernoten gesloten, diep ingesneeuwd; niets roerde. er. Waar zij ergens stil hielden, kregen zij meestal eerst het bassen van den hond, dan begosten ze voor de deur een Sint Antoniusliedeke te zingen, dat Pieter op zijnen doedelzak begeleidde. Maar de boeren deden niet open, lieten hen naar d'ijskegels aan het dak staan zien en snauwden hun 'nen verachtelijken "wij geven niet" toe. Als z'iets graven door de spleet van de deur, door 't lange zagen, dan was 't met 'nen valschen lach, uit schrik; en dan waren het wat peen en rapen, hard brood, waar ge met een pistool moest op schieten om er een stuk af te krijgen, overschot van zouten mosselen,