Pagina:Print Pieter Breughel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken.pdf/76

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


ANTWERPEN


I


ZWERVEN, dolen, dagen Lang, onrustig als de Lente, die onder vlagen van regen en sneeuw, met haar sneeuwklokjes als voelhorentjes, uit de aarde opsteeg. Hij sliep in schuren, doedelde, bedelde. Hij vernam van groote gevechten tusschen bedelaars en rijke boeren. Naar 't scheen was de hoeve van Waggelnek tegen Herenthals in brand gestoken. Men had den verminkten kop van 'nen Dikke in 'nen boom gevonden, en men had een lijf zonder kop in de Nethe zien drijven, met pikkende kraaien op den gezwollen buik. Bedelaarshutten waren omver getrokken. Magere boeren waren door de Dikken opgehangen, en nog, en nog. En hoe verder de verhalen het land inhingen, hoe korter ze wierden, maar hoe geweldiger van gebeurtenissen. En Pieter deed er voor de menschen, die er hem over aanspraken, nog vijf bij van den laatsten slag. En hij kon zich niet houden, om in 't brood-wit vleesch van 'nen boom dien diekken drijvenden man te griffelen met die pikkende kraaien op zijnen buik. „Allemaal de maag, het monster van ons lijf," zuchtte hij. En hij trok voort, altijd dichter en dichter bij zijn dorp. 'Ne reuk van herinneringen dreef 'er hem, lijk een strootje op het water naar toe. En hoe verder hij ging, hoe minder Veronica, zijn dood lieveke, zijnen geest vervulde. 't Was vreemd.Als hij onder de menschen was, leefde hij door en van hen; dan wierd hij door hen karakater en hunnen wil gekneed; zoo was het met de gehechtheid aan zijn moeder, met den schrik voor De Tomatpad, en voor Kwabberbil, liefde voor Veronica, schrik voor Kraakbeen. Maar eenmaal van die menschen weg, uit hunnen asem onder uit, en zij veranderden tot 'nen droom, zij wierden figuren van een vertelselke, dat hij zich kleurig tot in de minste kleinigheid kon herinneren, maar waar hij niet meer in leefde. En zoo was Veronica met heur bleek wezentje als een printje aan zijn hart gespeet. Hij had het bij, maar 't leefde niet. 't Was alleen dat stom boerendorp, dat hem, waar hij ook was, bleef aanlokken en roepen. En hij ging er, - nu hij toch voelde dat hij er naar toe ging, bewust naar toe, maar als een nuchter mensch. Hij had