Pagina:Print Pieter Breughel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken.pdf/77

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


de holte van zijn gedroom gezien. Hij was het moe, zichzelf, wat op te vijzen .Hij zou 'nen boer worden, 'ne stommen boer. Zijn verlangen om schilder te worden was zonder verbeelding geraakt, alsof Veronica, die hij met verbeelding had levend gehouden, er hem had van uitgeput. Hij was zonder 'nen vingerhoed idealisme. Hij zou 'nen boer worden, en hij wist waarom. Van schilderen kwam er nooit iets terecht. Was er telkens niet iets, dat hem tegenhield? Dat was wel een teeken dat hij het niet moest worden. Daarbij om schilder te worden moest ge school en leerjaren doen. Wie zou hem aannemen? Maar zie eens! Quinten Metsijs. „'t Was 'ne smid en plots wierd hij schilder," had Pater Cornelis gezegd. „Eerst zien en dan gelooven," gromde Pieter. Hij zou boer blijven, maar daarom dan eerst gezorgd 'nen boer te worden. Hij zou gaan wonen in dat eenzaam dorp, en hard werken, doorzetten, en er komen! 's Zondags met de kaarten spelen en kegelen, 'nen ruimen pot Dommelsch bier snappen, om in de week aan 't werk goed to kunnen zweeten; een van de een en twintig meiskes die hij' gaarne zag, ofwel nog een ander, tot vrouw nemen; 'nen paternoster kinderen rond tafel hooren kraaien, 'nen dampenden pappot middenin en de schouw volgepropt met hespen! „Liever tien vogels in mijn hand dan eenen in de lucht!" riep Pieter en hij zag als boer de vier seizoenen door: hij zag vier schilderijen. Hij floot dat het sneed lijk een mes door den stillen Februari die een van zijn zeven schoone dagen zonnig over de wereld had opengevouwen. Hij kwam voorbij een kloosterkerkske, dat daar eenzaam op een verhoog van gras en aarde met zijn broos klokske aankondigde, dat het lof ging beginnen. Het kerkske stond open: hij zag kaarsen branden en 'nen monnik aan 't klokzeel trekken. Hij kreeg goesting om er binnen te gaan en to bidden om 'ne goeien boer te worden Maar hij ging door. „Niet doen," zei hij, „daar moest er zoo weer eens een schilderijken hangen, dat me overhoop gooit.... ik word boer!" En hij stapte al fluitend verder over den zwarten, sopperigen weg, waarin de zon scheen als in pruimenvlaaien-spijs. De weg draaide van 't een strooien hoeveke naar 't ander, als echt uit beleefdheid, en ge rookt in de abeelboomen en knotwilgen bezijds, het genoegen van weer leven en Lente te worden. Hij ging naar zijn dorp toe. Ginder ging 'nen oude man met een kist op den rug en