Pagina:Print Pieter Breughel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken.pdf/79

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


luisterde niet verder, want dit papier was wit, en wat kon daar allemaal niet op geteekend worden! En terwijl de man dwepend voortlas, dampte Pieter van nieuwe teekendrift; de oude geest overspoelde hem terug. „Geef mij dit gebed," zie Pieter levendig. ,Geef er mij meer om aan mijn vrienden voort te geven! „God lof!" dankte de oude, „dat ik u op deze baan ontmoette, en een nieuw zaad heb gezaaid! Ik zie 't, gij rilt van ontroering! God lof! God lof!" en hij ontrolde hem van den rol een tiental vellen papier. Pieter kuste de oude, bruine handen, en de man kreeg de tranen in de oogen. „En nu ga ik ginder dien binnenweg in," zei Pieter, nadat hij "nen heelen tijd zwijgend, maar niet luisterend, naast den preekenden man was meegegaan. „Ik heb langs ginder nog een kennis wonen." De oude man dankte en zegende hem. En eer het tien minuten verder was, stond Pieter in 't deurgat van een hoeveke, en vroeg om wat houtskool uit den haard, om een kwetsuur te genezen van een van zijn vrienden. Hij kreeg van de pezige, oude boerin 'nen vollen hoed. En ginder, het papier op het effene van 'nen omgekapten boom opengespreid, zat hij to teekenen! 't Overmeesterde hem heelemaal. Hij teekende het schilderijke van Bosch. Ja, zoo was "t! .... met die snuiten en dien transparanten Sint-Antonius. En hij teekende Kwabberbil, Kraakbeen.... neen Veronica niet, maar hij teekende "nen hemel met lange engelen. „Daar hangt ze tusschen," zei hij. Het goede, oude element was daar terug. Het zoefde in hem en groeide meteen, en hij teekende tot hij niet meer zag. Hij vouwde de papieren voorzichtig op, en dan ging hij voort, blij en opgejaagd, niet onder, maar als doorheen de sterren. En hij ging tot hij lijk in alle vertelselkes in de verte een lichtje zag branden. En toen hij in "t hooi lag, kon hij de oogen niet toedoen. Hij verbrandde van binnen. „Morgen trek ik naar Antwerpen !" Zeven dagen op weg, slenterend naar zijn dorp om boer, stomme boer to worden .... en bij 't zien van een blaadje wit papier barst de dichter uit het vel van den boer to voorschijn, als een gelaat uit een gescheurd masker. Hij krinselde, rolde, draaide. Hij bad nu niet meer: „O Heer, laat mij schilder worden," want hij voelde, dat het niet anders meer kon. De schilder zat in hem gevangen in al de rankers van zijn