Pagina:Print Pieter Breughel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken.pdf/85

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


Het volk lachte. „Gij zijt zeker ook "ne ketter!" De beenhouwer probeerde den oude verdacht te maken. Maar deze kwam dichtbij en snauwde: „Moet ge dan "ne ketter zijn om een hart to hebben, ondier!" „Bezie eerst uw eigen, gij leelijke rosse kalot. Als ge zoo wel zoo oud niet waart, dan sloeg ik u met dees eene vuist zoo plat lijk een vijg!" t Volk, begeerig naar ruzie en gevecht, drumde dicht opeen rond de twee, die met hun gezichten hatelijk tegeneen grijnsden. „Ah! ge denkt, dat ik !n verroeste ben, te zien naar het koleur! riep de oude, „maar daar heb ik nog te veel olie voor in mijn lijf, donderpad! Zie maar eens!" En daarmee sprong hij lijk 'nen eekhoorn omhoog op den pooten beenhouwer zijn lijf, klauwde zijn linkerhand in then zijn lang haar, lijk 'ne matroos aan de touwen van den mast, en gaf met de andere, tot een vuist genepen; korte, rappe spijskloppen op het rood gezicht. Vlug lijk hij er opgespronge was, voor den beenhouwer goed wist wat er gebeurde, wipte de oude rosse lijk 'ne kousenband het yolk in, en was de gaten uit. 't Volk riep lachend en bewonderend „Jan Nagel! Jan Nagel!" En de beenhouwer wien 't bloed uit zijnen neus drupte, riep kinderachtig: „Hebt ge dat gezien ? Zoo 'nen deftigen mensch laf aanranden? Hij moet in 't gevang! G' hebt het allemaal gezien! Gij moet getuigen voor 't gerecht...." Maar bij het woord „getuigen" muisden de menschen er ineens van onder. Zelfs het smalle venster ging toe. En Pieter, die vreesde ook als getuige gevraagd te worden, was ook seffens een heel eind verder. Hij stond verloren tusschen het gekrioel van wagens en menschen met den hoed van den gevangene nog altijd in zijn hand en den daver in zijn bloed van alteratie en uitgestanen schrik. Van uit een herberg „In het Boterknolleke," klonk gezang en getier. Rijke lieden gingen voorbij, sprekend over geld en schepen. „'t Is alsof ik in Jeruzalem ben," zei Pieter. En hij dacht er aan, hoe Jezus door Judas wierd verraden, en hoe ook de Godde ijke Moeder achter de soldeniers moest geloopen hebben . En was er daar ook geen Simon van Cyrenen, die mee het kruis droeg ? - En toen zag hij naar den hoed, waar hij geenen blijf mee wist .