Pagina:Print Pieter Breughel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken.pdf/95

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


6

Drie dagen achtereen had Jan Nagel, met verlof van Meester Coecke, aan Pieter de stad Antwerpen laten zien. Hij was van d' eene verbazing in d' andere gevallen. Hij juichte, toen hij de Schelde zag met haar prachtig en kleurig gekrioel van duizenden schepen, galjoenen en galjoten, riekend naar oorlog en naar verre landen. Hij had gezucht voor de schoonheid van menig ding in de schilderateliers, kerken, kloosters en bij particulieren, maar vooral die O. L . Vrouwekerk en haar toren, als kantwerk door de zon geborduurd, had Pieter ontroerd en doen zeggen: „Een schooner kaars kunt ge voor O .L. Vrouw niet draaien!" En toen hij in de slanke, zevenbeukige ruimte wandelde, als tusschen de pijpen van een orgel,- en in 't licht van de Paradijzen-glasramen voor de heldere „Graflegging" van Quinten Metsijs stond, als voor den subliemsten dageraad, dien ooit 'ne morgen maakte, trilden de tranen van bewondering in zijn oogen en zei hij met kroppende stem: „Daar heeft God aan meegeschilderd en daarom is die kerk zoo schoon!" Maar toen hij bij 'nen Italiaanschen koopman in zijn verzameling verschillende werken van Jeroom Bosch zag, al die duivelarijen, St. Antonius bekoringen, Vagevuren en boeren, toen wierd Pieter zijn hart als opengescheurd en "t liep over van visioenen. „Zoo moet ik schilderen, zoo kan ik het ook, zoo wil ik het ook!" Maar ineens zei Jan Nagel: „Ge hangt mijn keel uit met uwen Bosch. Ik vind hem zelf een van de beste schilders, maar dat Ziet gij nog niet. Dat zult ge zien, later als ge kunt schilderen; want luister goed: gij ziet to veel naar 't onderwerp; dat heeft niks to maken. 't Is eender wat ge schildert, vrouwenvleesch, eieren, visch, fruit, landschappen, grafleggingen, duivels, St. Antoniussen of engelen, - als 't maar goed geschilderd is, is 't goed. Gedachten, ontroering, mystiek, en wat ze daar rond vertellen, dat is zeever in pakskes, dat schrijft g' in een boekske. Poot! - borstel! - dat moeten w' hebben!" „'t Spreekt vanzelf," zei Pieter voorzichtig, „dat alles goed moet geschilderd zijn; -- maar verbeelding van 'nen engel die goed geschilderd is, is toch meer dan een gebersten kruik die goed geschilderd is." „goed geschilderd, is die kruik ook 'nen engel!" zei