Pagina:Print Pieter Breughel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken.pdf/96

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


Jan en hij riste opgewonden met zijn vingeren door zijnen bos safranen haar. Pieter wist of durfde daar niets op to antwoorden. „Maar ik zal u meer zeggen," betoogde Jan Nagel luid, zonder er op to letten, dat hij op straat was, die vol volk liep, daar de beurs uit was, -- en al zijn vingeren dansten. „Ziet ge dien rotten vischkop daar liggen in de goot? Ewel, ik kan hem nog niet bezien! - ik mag geene visch - maar goed geschilderd, is die vischkop zoo mystiek als 'nen engel, en nog mystieker, als hij beter geschilderd is. Dat is mystiek: Kunnen! Mystiek is: God in de verf trekken! Wat kunnen mij al die frambozen heiligen van Coecke schelen en zijn porceleinen Venussen, als ze niet kloeker in de verf gevangen zitten dan hij het doet. Ja, gevangen! Wij, schilders, vangen: Wij vangen God met ons verf, lijk 'nen heilige met zijn gebeden; en Hij heeft het gaarne! En ik zeg, en 'k zeg het nog: 'Ne goeie schilder is ne zoon Gods!

7

Ze kwamen tegen de schemering in de smalle, donkere straatjes van St. Andries. Plots zei Jan Nagel: „Nu gaan we naar mijnen vriend Jefke Slagkop, - die later op den brandstapel zal kissen -- 'nen goudmaker, 'nen alchimist. Volg mij maar." Pieter volgde Jan Nagel in een smal straatje. 't Was te nat en papperig van den door en 't kletste paternosters dooinoten van de pannen op hunnen kop. „Dat is hier, helaas, een vervallen brouwerij bij gebrek aan goed water, zei Jan Nagel vol heimwee, toen ze op een overhoope koer met vervallen afdaken kwamen. Jan Nagel klopte op een soort staldeur. „Hier woont mijn vriend Jefke Slagkop." Daar kwam "ne kleine, gebochelde, jonge .. man opendoen, die naar den blaasbalg rook, zwart zag lijk 'ne neger en groote, verwonderde oogen had met veel wit. „Is Magister Neptusurio thuis ?" vroeg Jan Nagel. „De sterren hebben het zoo geschikt, dat gij thans Magister zult vinden," zei 't manneke beleefd met moeilijke, genepen stem. „Goed, zeg merci aan de sterren, en aan Magister: