Pagina:Print Pieter Breughel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken.pdf/97

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


dat ik hier ben met 'nen jongen vriend, die met hem wil kennis maken." Zij volgden het osseknieënd ventje twee ledige vertrekken door, en kwamen dan in een lage, slecht verlichte plaats, waar - te midden van roetreuken, 'nen donkeren, slordigen warboel van flesschen, kruiken, alambieken, trechters, potten, boeken, eierloopers, hout en allerlei distilleergerief - Jefke Slagkop aan een fornuis in een potteke zat to roeren, al lezend in 'nen boek. Hij moest door 't bultje bij de mouw getrokken worden. Hij schoot kregelig en snauwend als gebeten om; maar toen hij Jan Nagel zag, wierd zijn gezicht plechtig en vroom groetend. „Broeder," zei hij, gedempt als door to veel liefde, en groette ook Pieter. „Mag ik hem ook Broeder noemen?" „waarom niet," zei Jan Nagel. „Die ik meebreng, zijn er goeie!" Hij trok het potteke weg, en kwam tot hen. Het was 'ne kassei-bleeke, dunne man, met 'nen halven baard, - waarvan de andere helft was afgebeten - en 'nen blauwen, ontwijkenden blik. „Ik ga vandaag niet mee Jan Nagel, ik ben juist bezig goud to vinden langs een andere formule maar natuurlijk langs het heilig getal zeven." 't Gebocheld manneke spitste meteen zijn ooren om te luisteren, en zijn witte oogen blonken blij in zijn zwarte gezicht; hij vergat de kooltjes to ziften. „Ja laat mij u Broeder noemen wij zijn alien druppels van eenen God dien wjj met een stof omkleeden uw stof en mijn stof is dezelfden Ether maar ze trilt anders 't verschil van heviger leven van God," zei Jefke Slagkop tamelijk rap, maar duidelijk en overtuigd, zonder aarzelen of haperen, lijk een kraantje dat loopt. Het was 'ne man die zonder komma's sprak en ook zonder punten, vraagteekens of wat anders. Aan al wat hij zei, was een begin en een einde, maar daartusschen was er niets anders. Elkeen ging op een baksken of een tonneke zitten. Jefke stak zijn handen in de loddermouwen van zijnen doormotten tabbaard, of genet met of gepelden pels. „Ha Broeder," zei hij tot Pieter, „ik zie aan 't licht dat van u uitstraalt dat ge nog niet in gewijd zijt God brandt in ons dat is een zeven keeren zal het vuur zich omsluieren met vleesch en bloed zeven keeren terug komen dat is twee wie dan nog in zonden en be eerten leeft daar dooft het vuur in uit dat is de Hel en God is de grooten Architekt bouwt met dezelfde stof Ether die in elk ding anders trilt