Naar inhoud springen

Pagina:Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering.pdf/12

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
1176-1 (1993-1994) (12)

praktijken en processen waarmee antropogene emissies van broeikasgassen die niet worden beheerst krachtens het Protocol van Montreal, kunnen worden beheerst, verminderd of voorkomen in alle relevante sectoren, waaronder de energie-, de vervoers-, de industrie-, de landbouw- en de bosbouwsector en het afvalbeheer;

d) bevorderen een duurzaam beheer en bevorderen, en werken samen bij, de instandhouding en uitbreiding, indien van toepassing, van putten en reservoirs van alle broeikasgassen die niet worden beheerst krachtens het Protocol van Montreal, waaronder biomassa, bossen en oceanen, alsmede andere ecosystemen op het land, langs de kust en in zee;

e) werken samen bij de voorbereiding op aanpassing aan de effecten van klimaatverandering; stellen passende en geïntegreerde plannen op voor beheer van kustgebieden, watervoorraden en landbouw, en voor de bescherming en het herstel van gebieden, met name in Afrika, die worden getroffen door droogte en woestijnvorming, alsmede overstroming, en werken deze plannen uit;

f) houden, voor zover mogelijk, rekening met aspecten van klimaatverandering in hun desbetreffende beleid en optreden op sociaal en economisch gebied en ten aanzien van het milieu, en maken gebruik van passende methoden, bijvoorbeeld op nationale schaal opgestelde en vastgelegde milieu-effectrapportages, teneinde de nadelige gevolgen voor de economie, voor de volksgezondheid of voor de kwaliteit van het milieu, van door hen uitgevoerde projecten of maatregelen ter inperking van of aanpassing aan klimaatverandering, tot een minimum te beperken;

g) bevorderen, en werken samen bij, wetenschappelijk, technologisch, technisch, sociaal-economisch en ander onderzoek, systematische waarneming en het opzetten van gegevensbestanden betreffende het klimaatsysteem, bedoeld om meer inzicht te verwerven en de resterende onzekerheden met betrekking tot de oorzaken, de gevolgen, de omvang en het verloop van klimaatverandering, alsmede de economische en sociale gevolgen van de verschillende bestrijdingsstrategieën, te verkleinen of weg te nemen;

h) bevorderen, en werken samen bij, de volledige, open en onmiddellijke uitwisseling van relevante wetenschappelijke, technologische, technische, sociaal-economische en juridische informatie met betrekking tot het klimaatsysteem en klimaatverandering, en tot de economische en sociale gevolgen van de verschillende bestrijdingsstrategieën;

i) bevorderen, en werken samen bij, de voorlichting, vorming en bewustmaking met betrekking tot klimaatverandering en stimuleren de breedst mogelijke deelneming aan dit proces, waaronder die van niet-gouvernementele organisaties; en

j) delen aan de Conferentie van de Partijen in overeenstemming met artikel 12 informatie over de toepassing mede.

2. De Partijen die ontwikkelde landen zijn en de andere in Bijlage I opgenomen Partijen verplichten zich in het bijzonder tot het volgende:

a) elk van deze Partijen neemt nationaal[1] beleid aan en treft de bijbehorende maatregelen inzake inperking van klimaatverandering, door haar antropogene emissies van broeikasgassen te beperken en putten en reservoirs voor broeikasgassen te beschermen en uit te bereiden. Uit dit beleid en deze maatregelen zal blijken dat ontwikkelde landen het voortouw nemen bij het ombuigen van de tendensen op het gebied van antropogene emissies op de lange termijn, overeenkomstig de doelstelling van het Verdrag, erkennend dat de terugkeer aan het einde van dit decen-

  1. Met inbegrip van beleid en maatregelen aangenomen door regionale organisaties voor economische integratie.