Beseffende dat de mondiale aard van klimaatverandering de breedst mogelijke samenwerking tussen alle landen vergt, alsmede hun deelneming in een doeltreffend en passend internationaal optreden, in overeenstemming met hun gezamenlijke, doch verschillende, verantwoordelijkheden en onderscheiden mogelijkheden en hun sociale en economische omstandigheden,
Herinnerende aan de desbetreffende bepalingen van de Verklaring van de Conferentie van de Verenigde Naties inzake het Leefmilieu, aangenomen te Stockholm op 16 juni 1972,
Voorts eraan herinnerende dat Staten, in overeenstemming met het Handvest van de Verenigde Naties en de beginselen van internationaal recht, het soevereine recht hebben hun eigen hulpbronnen te exploiteren overeenkomstig hun eigen milieu- en ontwikkelingsbeleid, alsook de verantwoordelijkheid erop toe te zien dat activiteiten die binnen hun rechtsmacht of onder hun toezicht vallen, geen schade aanrichten aan het milieu van andere Staten of van gebieden die onder geen enkele nationale rechtsmacht vallen,
Opnieuw bevestigende het beginsel van de soevereiniteit van Staten in de internationale samenwerking om klimaatverandering tegen te gaan,
Erkennende dat Staten doeltreffende milieuwetgeving moeten aannemen, dat milieunormen en doelstellingen en prioriteiten voor milieubeheer een weerspiegeling moeten zijn van de milieuen ontwikkelingscontext waarop zij van toepassing zijn, en dat normen die door sommige landen worden gehanteerd, ongepast kunnen zijn en te hoge economische en sociale kosten kunnen inhouden voor andere landen, in het bijzonder ontwikkelingslanden,
Herinnerende aan de bepalingen van resolutie 44/228 van de Algemene Vergadering van 22 december 1989 inzake de Conferentie van de Verenigde Naties inzake milieu en ontwikkeling, en resoluties 43/53 van 6 december 1988, 44/207 van 22 december 1989, 45/212 van 21 december 1990 en 46/169 van 19 december 1991 inzake de bescherming van het wereldklimaat ten behoeve van huidige en toekomstige generaties,
Tevens herinnerende aan de bepalingen van resolutie 44/206 van de Algemene Vergadering van 22 december 1989 inzake de mogelijke nadelige gvolgen van zeespiegelstijging voor eilanden en kustgebieden, met name laaggelegen kustgebieden, en de desbetreffende bepalingen van resolutie 44/172 van de Algemene Vergadering van 19 december 1989 inzake de uitvoering van het Actieplan ter bestrijding van de woestijnvorming,
Voorts herinnerende aan het Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag van 1985 en het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken van 1987, zoals aangepast en gewijzigd op 29 juni 1990,
Wijzende op de Verklaring van de Ministers van de Tweede Wereldklimaatconferentie, aangenomen op 7 november 1990,
Zich bewust van het waardevolle analystische werk dat door veel Staten wordt verricht op het gebied van klimaatverandering en van de belangrijke bijdragen van de Wereld Meteorologische Organisatie, het Milieuprogramma van de Verenigde Naties en andere organen, organisaties en instellingen der Verenigde Naties, alsmede andere internationale en intergouvernementele organisaties, aan de uitwisseling van resultaten van wetenschappelijk onderzoek en de coördinatie van onderzoek,
Erkennende dat de stappen die nodig zijn om klimaatverandering te begrijpen en tegen te gaan, in ecologisch, sociaal en economisch opzicht het meest doeltreffend zijn indien zij zijn gebaseerd op relevante wetenschappelijke, technische en economische overwegingen en voortdurend worden geëvalueerd in het licht van nieuwe bevindingen op deze gebieden,