Naar inhoud springen

Pagina:Relaes van den ambassadeur Jan Smidt (naar Persia, 1628-1630).pdf/14

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

738

compst. Hy heeft deselffden te saemen overgegeven in handen van sijn secretarius, doordien desen dach tot vrolijckheyt by haer gedestineert was; mijn werde een plaetse geordonneert schuynover, niet verde van Sijn Mag.

De Coninck heeft mijn tweemael toegedroncken op de gesontheyt en welvaeren van Sijn Princelycke Exci. en eenige discoursen gemoveert; dan alsoo de redenen ende antwoorde mosten door een hartoch, de opperhoffmeester, oover end weeder gebracht, soo en costen van gheen vervolch consideratiën sijn; ten anderen soo en was de tijt off plaetse daertoe niet geapropryeert.

Wy hebben aldus drie uuren geseeten en somtijts eens rondtom gedroncken; achter den Coninck saeten eenige speelluyden, met dewelcken de Coninck verscheyden discoursen maeckten. Ondertusschen soo dronck hy somtijts touback en wijn en speelden oock met eenige cleyne appelkiens, gelijck men in ons landt de kinderen met bickelen speelen; somma vernamen hier weynich grootsheyt off konincklycke magnificentiën.

Hiernaer sijn opgeresen en naer den anderen in een grooten hoff gegaen, alwaer veel taefelen op tapiten op der aerden nedergedeckt waeren, neffens loopende waters onder de boomen. Daer werde seer abondantelijck gescafft, te saemen in goudt; de schootels waeren meest al tsamen omtrent de groote van een ton; de spyse was te saemen met gelycke verheven decksels bedeckt; was een groote costelijckheyt te sien; daer werden oock bancket gheschafft; dan plomp en rouw naer der Persiaenen aert, die de oude Parthen ten deelen noch verthoonen.

Naer de maeltijt sijn opgestaen en geleyt op ’t Conincks huys en gepasseert een lange sael, de middel van welcken doorgaens beset was met alderley faetsoen van gouden vlessen, kannen en andere manier van vaeten van overgroote waerdy, meestal met gesteenten besedt, als paerlen, robynen, smarauden en ander soorte; diamanten sijn by haer weynich in ’t gebruyck.

Desen sael gepasseert, sijn gecoomen in een gaeldery, alwaer de Coninck sadt met de principaelste van ’t hoff. Hier waeren eenige fruyten gestelt en werden niet weynich gedroncken. Het middel van dese gaeldery was langs mede overhoopt met vlessen, coppen, schaelen, soo dicht met gesteente besedt, dat quaelijck goudt bekennen conden.

Als wy aldus ontrent uuren geseten hadden en dat sy presumeerden off bemerckten, dat ick vermoeyt was, den meestendeel van den dach op haer manier op d’aerde, gelijck de snyders, geseeten te hebben, soo is mijn van een van de grooten, die de Coninck sulcx hadde doen verstaen, van sijnnent aengeseyt, dat byaldien vermoeyt was van soo lang op haer manier alsoo te sitten, dat met licentie van den Coninck wel mochten vertrecken en dat hiernaer soo dickmael by Sijnne Mat. souden commen, als ’t mijn belieffde, met andere complimenten, onder anderen, dat tusschen Sijn Maiesteyt en onse Prince gheen differentie en was.

Hiermede affscheyt genoomen hebbende van Sijn Magt., soo heeft den hertoch van Siras mijn alle vrientschap van weegen sijnne Coninck toegeseyt. Op alle dese presentatyen soo werden mijn in ’t cort gerepliceert naer tijts gelegentheyt en mijn tolck verde achter mijn stondt en de plaetse seer eng was.

’s Anderdaechs sijn weder ten hoove ontbooden, om onse geschencken te doen presenteeren, alsoo desen dach geordonneert was, omdat alle ambassadeurs, princen en legaten en ondersaeten haere ghaeven souden presenteeren. Neffens de duer van ’t hoff op een wat voorheeven plaetse, soo sadt den Coninck met eenige