Pagina:RomeinscheGeschiedenissen1.pdf/285

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen



233GESCHIEDENISSEN.

I.
BOEK
IV.
HOOFDST.
voering, oplettend op de rampen, die onlangs den Staat getroffen hadden, door dezelven te doen voorkomen, als straffen des Hemels over het verwaarloozen van der Goden dienst. Ook den rampzaligen dood van zijnen voorganger schreef hij openlijk aan deszelfs minachting voor den Godsdienst en aan den welverdienden toorn der Goden toe. Het eenige middel, om pestziekten, hongersnood en dergelijke onheilen, die anders welhaast het geheele Volk verdelgen zouden, te ontgaan, bestond, in het te rug keeren tot dien weg, waar van zij, onder Tullus, waren afgeweeken, en waarop zijn, onder Numa, het wenschelijkst geluk agtervolgd hadden. Men moest zich, naamlijk, weder toeleggen op den land- en vee-bouw, en allerleie andere eerlijke kostwinningen, doch boven al der Goden dienst getrouw behartigen.”

Was daar-
door aan-
genaam bij
´t Volk.
Het bijgeloovig Volk, welk altijd gaarne in buitengewoone rampen ´s Hemels straffen ziet, hoorde ´s Konings redevoering met toejuiching aan; weet zich ´s Lands rampen; herdacht de gelukkige dagen van Numa´s vreedzaam bestuur, en be-