Pagina:RomeinscheGeschiedenissen1.pdf/287

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen



235GESCHIEDENISSEN.

I.
BOEK
IV.
HOOFDST.
gebrokene onrust te slijten. De Latynen, ´s Konings vredelievendheid voor lafhartigheid aanziende, schonden het verbond, welk zij met zijnen voorganger hadden aangegaan, ontrusteden, de grenzen des rijks, en gaven den Romeinschen afgezanten, die hierover hunne klagten inbragten, kwaad bescheid. Zij bedroogen zich evenwel in hunne verwachting, dat Ancus met eene zwakke hand de teugels des rijks van tusschen zijne altaaren en kapellen bestuuren zou: wijl deze Vorst even veel van het charakter van Romulus, als van Numa had, en zich van beiden volmaakt wist te bedienen naar het vereisch der omstandigheden. Ziende, dat die omstandigheden hem drongen, zich als krijgsman te doen gelden, daar men zijn geduld openlijk tergde en bespottede, gordde hij even moedig het oorlogszwaard op zijde, als hij vredelieven zijnen onderdaanen den ploeg had in handen gegeven.(1)

Eer hij zich over de trouwloosheid der Latynen wilde wreeken, liet Ancus gee-

(1) Liv. L. I. c. 32.