Pagina:RomeinscheGeschiedenissen1.pdf/291

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen



239GESCHIEDENISSEN.

I.
BOEK
IV.
HOOFDST.
door het inroepen van vreemden bijstand te versterken, was de Koning, van zijnen kant, terstond werkzaam, om deze nieuwe trouwloosheid, te gelijk met de oude, te straffen. Zich bedienende van eene krijgsverrichting, welke, zo zij al niet geheel nieuw door Ancus uitgedacht, ten minsten het eerst door hem bij de Romeinen in het werk gesteld is, liet hij van zijne legerplaats tot onder de wallen van Fidenae den grond ondermijnen, terwijl hij een gedeelte van zijn leger tegen de andere zijde van de stad op liet trekken, met ladders en andere werktuigen, geschikt, om muuren te bestormen en te beklimmen. De stedelingen, dien aanval ziende, wendden al hunne magt aan, om denzelven afteslaan, en lieten dat gedeelte der stad onbezet, waar zij geene vijanden zagen, doch waar de overige Romeinen uit hunne mijn bedektlijk ter stad indrongen, de Fideners overvielen, de poorten voor hun spitsbroeders openenden, gezamenlijk eene bloedige slachting aanrichteden, en, op toelating van hunnen Veldheer, de geheele stad plunderden. De hoofden des afvals werden door Ancus gestraft, die ver-