Pagina:RomeinscheGeschiedenissen1.pdf/298

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen



246ROMEINSCHE

I.
BOEK
IV.
HOOFDST.
Deszelfs
charakter.
Op welk eene wijze Ancus zich ook eenen weg ten throon gebaand moge hebben, zijne regeering bewees alzins, dat hij deszelfs bezit waardig was. Alle de oude schrijvers betaalen aan zijne nagedachtenis de billijke schatting, waarop zijne edele verdiensten recht hebben, en ons hart zou het ons altijd verwijten, wanneer wij dezelve hier schuldig bleeven. Zijn lof, in oorlog en vrede behaald, behoeft voor dien van geen zijner voorgangers of zijner opvolgers te wijken. Zoo wel groote als beminnenswaardige hoedanigheden in zijn persoon vereenigende, dwong zijn overwinnende arm zijne vijanden tot een behoorlijk ontzag, deed zijne edelmoedigheid hun niets anders, behalven alleen hun overwinnig, beklaagen, en veroverde, eindlijk, zijn uitmuntend bestuur de ondankbaarste harten. Hoe noodig hij den Godsdienst voor den burgerstaat hield, blijkt alzins uit zijne inrichtingen; dat echter dezelve, ook bij hem, dienstbaar aan zijne staatkunde was, laat zich daaruit afleiden, dat hij de afvallige Fideners aan dorst vallen, zonder van het plegtig verbondspriesterschap gebruik te maaken.