Pagina:RomeinscheGeschiedenissen1.pdf/572

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen



520ROM. GESCHIED.

I.
BOEK
VIII.
HOOFDST.
gen en dus aan den goeden wil van derzelver uitvoerers alleen toebetrouwd. Tarquinius de trotsche bekreunde zich daar aan weinig, en zou door eene geduurige overtreding derzelver aandenken geheel en al vernietigd hebben, indien niet ene Raadsheer, Papyrius genaamd, alle die weten in één ligchaam bij één gebragt, beschreven, en aldus voor de vergetelheid bewaard had. De ongunst der tijden heeft ons dit gedenkstuk der oudheid niet gelaten, doch in andere schrijvers, wien een gunstiger lot is te beurt gevallen, vinden wij verscheidene aanhaalingen uit dat wetboek, waarin de oudheid der taal bij den oordeelkundigen voor de echtheid dier wetten borg blijft (1)


(1) Men vindt het geheele jus Papyrianum met de beoordeeling der echtheid van deszelfs onderscheidene wetten, bij A. Terrasson: Hist. de la jurispr. Rom. Part. I. §. 4—9. Men zie ook Gravinæ opera Lib. II. §. 22. p. 165. volgends welken Rechtsgeleerden Romulus het recht der Natuur, Numa het recht der volken, en Servius Tullius het burgerlijke recht voor Rome zou gevestigd hebben.

EINDE VAN HET EERSTE DEEL.