Pagina:RomeinscheGeschiedenissen1.pdf/82

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen



36ROMEINSCHE

I.
BOEK
I.
HOOFDST.
kon, willende verzuimen, ontbood hij eenige Etruriers, om hem alles voor te schrijven, het geen, ter inwijding van den grond en ter heiliging van het geheele werk, mogt vereischt worden.(1) De dag werd hiertoe bepaald en was de een-en-twintigste van Grasmaand(2) in het eerste jaar van de zevende Olympias, het welk overeenkomt met het zevenhonder en een-en-vijftigste jaar voor de tijdreekening der Christenen.(3)

(1) Plut. in Rom. p. 23.
(2) Ibid.
(3) Dion. hal. L. I. p. 60. Schoon er zeer onderscheidene gevoelens bij de Ouden zijn over de vestiging van Rome, welke zommigen veel ouder stellen dan Romulus, (zie Dion. hal. L. I. p. 58. Plut. in Rom. ab init. Sallust. bell. Catil. c. 6.) is echter het verschil van hun, die dezelve aan Romulus toeschrijven, allergeringst met betrekking tot den tijd, waar in Rome zou gebouwd zijn. Plutarchus, die Varro volgt, stelt denzelven slechts twee jaaren vroeger, dan Cato bij Dinysius; en Polybius neemt, zonder dit stellig te bepaalen, hiervoor het tweede jaar van de zevende Olympias aan. Waarlijk een zeer gering verschil in eene zaak van zulk eene diepe oudheid! — Wij zijn Dionysius gevolgd, om dat deszelfs